Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Welck ick ghebood, van haer vormoovdo Tellen, neder

Te Bitten in het gras; tot dat ick keerde weder;

Dewijl my niemandt van haer allen volghen mocht, 95 En my de lust des jachts niet to versuymen docht.

Den hemel die bedauw u jaren menichvuldich

Met gheduyrighe rust.

Daif. " Wij zijn 't u allo schuldich

Alwaerdighe Princes. helaes! hoe leedt is my 100 Dat ons vermogen min als ons begeerte zy!

Den Hemel wil u staet in eeuwicheyt behouwen.

Gran. Yaert eeuwelijcken wel.

Als de prinses vertrokken is, besluit Daifilo zich „ten Hove to begeven, om de teghenwoordicheyt, en diensten wille van so waerdige Prinssesse." Hij treedt in dienst van Tisiphernes, wiens vertrouwen hij weldra weet te winnen, zoodat hij als „postillon d'amour" dienst doet. De koning weigert echter Granida's hand aan Tisiphernes, en begeert Ostrobas tot schoonzoon. De twee minnaars besluiten nu den volgenden dag een tweegevecht te houden. Dan bekent Daifilo aan zijn meester zijn liefde voor Granida, en verzoekt, in zijn plaats tegen Ostrobas te mogen strijden. Dit wordt toegestaan; Daifilo overwint en doodt Ostrobas.

Granida, die toevallig kennisgenomen heeft van D.'s liefde voor haar, laat hem door haar „voetster" roepen, en deelt hem mede, „gereedt te zijn om met hem te vertrecken, en een Harderinnen staet ghetroost te zijn." Ondertusschen is. de geest van Ostrobas aan zijn vriend Artabanus verschenen, en heeft dezen aldus toegesproken:

Ostrob. Artabanus, siet hier uw Prins soo braef vernaemt,

Maer, hey, geweest! met wien ghy hier in Persen quaemt, 105 Wien, doen hy leefde, ghy ghetrouw pleecht aen te cleven,

En nu versuymt sijn wraeck te nemen nae sjjn leven. Artabanus siet hier uw Prins soo braef wel eer Yernaemt, wiens hooghe roem nu leydt ghevelt ter neer, Ghevelt, niet van een Prins, ay spijt! (en cundy slapenP) 110 Maer van een Harder slecht vervalscht in Prinssen waepen.

Hey laster! hey! flux rijst Artabanus, en boet Mijn wraeckrasenden dorst, ten minsten met sijn bloedt.

Artab. Wapen! Ick volch mijn Prins, 'tghebodt dat ghy verclaerde, Ick volgh, mijn Prins, ick volgh, al waer't tot inderaerde, 115 Ghy zijt vertrocken, maer inwendich ick aenschouw

Uw beeldt, en vast gheprent in mijn ghedachten houw U hayr 't samen ghegroeyt mot bloedt, u bleeckgheschonden Trony, u cranck ghesicht, en u gapende wonden.

Sluiten