Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meesten schuldigh waaren; naamelyk d'onroomschen. Want hoewel hy oprecht Roomsch, en dienvolghends hunne weederparty was, hy had", zoo veel als yemandt voor hunne veiligheit gearbeidt, uit enkel goedt15 heit van aardt, en afkeer van moorddaadigheit. Maar 't vervolgh van de kerkschenders , hoe noodtwendigh , en wettigh het ook was , kondenz' hem niet te goede houden. Zyn' weduwe bleef zitten met drie zoonen, en acht dochters.

3. Pacieco's dood.

'T leed luttel aan naa 't landen van Jacob de Ryk tot Vlissinge oft Pedro Pacieco, by anderen Paciotto genaamt, opperste krysbouwmeester des Hartoghen, komt de haaven in, geen ding min denkende, dan dat de stadt omgekeert was. Opgestapt uit den scheepe ziet hy 5 van verre de Ryk naa hem toetreeden; en waanende 't waar om hem te bewelkoomen, zet zynen gang derwaarts. Maar zich vindende, in een ommezien, met een gerit graauws om de ooren, en spellende uit het gelaat (want de taal verstond hy niet) hunne verbolgenheit; kreegh hy zoo groot een' angst voor zyn lyf, dat hy, waanende zich alzoo te 10 redden, zynen zeeghelrink van den vinger trok, kuste, en aan de Ryk leeverde, met zeggen: Heer ik ben uw gevangen. De Hopman, die goedt Spaansch sprak, vatte zyn' meening, en den ring aan, die door gaaf van zynen zoone Simon de Ryk, althans onder my berust. Teftens leyd' hy de handt op Pacieco, en deed hem in hechtenis stellen. Thans 15 braght Treslong, met drie scheepen, styf tweehondert mannen oover. Twee Hopluyden van Vlissinge, d'een Yink, d'ander Vliegh gebynaamt, hadden dit volk uit de naaste plaatsen van Hollandt opgestommelt. 'T waaren meest al Haaghelingen, oft Delfscho, Rotterdamsche, en Brielsche burghers, uitgestreeken met kazuyfels, munnixkappen en 20 diergelyk gewaadt der geestelykheit, in plaats van krysrusting. Maar men deed hen op stroom waapenen en monsteren: daarnaa den krvsbouwmeester te rechte stellen, door Glaude den Baljuw; en verwees hem ter galghe, met twee andere Spaansche jonkers. Pacieco, hebbende ^ geen gissing op zulk een vonnis gemaakt, drong anxtelyk op rangoen, 25 en bood groot geldt voor zyn lyf. Maar Treslong, in weerwraak van zynen broeder, dien de Landtvooght in den jaare achtentsestigh, onder andere Edelen, omgebraght had, dreef datm'er mee voorts ginge. Naamelijk hy dacht, aan Al va niet lichtelvk gevoel vker spyt te kunnen doen, dan met de smaadighe doodt van zoo een' persoonaadje, dien men 30 zeyde den Hartoghe in naamaaghschap te bestaan. Ook liep 'er een gerucht onder de burghery, hoe de gevangen zeekere lyste, met naamen van luyden, die de Landvooghdt dacht te dooden, in 't gaan naa den

Sluiten