Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kerker, geschejrt, en van zich geworpen had. Waarover 't grauw, ververschende zyn' bitterheit teeghens den naam der Spanjaarden, hem 35 naauwlyx gehoort wilde hebben, reukeloozelyk roepende, mits zy hem niet verstonden: hang op den brodder, hang op; wie kan met hem kallen? hij, wanhoopende van andere genaade, verzocht, dat hem ten minste 't zwaardt gewierde. Glaude, hebbende zijn raapier aangetast, en op zyde gegort, zeyde, quansuis oft d'ander daarnaar vereyscht hadde, 40 hy zouw miar opklimmen: Vgeweer was wel bewaart. Pacieco, tot naader uitlegging, beriep zich op de Graaven van Egmondt en Hoorn; en stelde zyn huis zoo hoogh als 't hunne, in aadel. Dit was oly in 't vuur voor 't volk , dat daarop uitvoer: oft hy zich by hunne Heeren gelyken wilde ? zyl ghxj Heeren ? ghy zyt schelmen. Men had moeyte 45 gehadt, om eenen scherprechter te vinden, dewyl die van Walchere binnen Middelburgh woonde. Een gevangen doodtslaagher, daar toe aangezocht, weygherde zynen hals met die haatlykheit te winnen, antwoordende liever te willen sterven, dan dat zyn moeder een' beul hadde ter wereldt gebraght. Maar als men hem vertoonde den gedoemden 50 een' Spanjaardt te zyn, bewillighd' hy in 't werk, mits dat hem vrystonde doodt te slaan, die 't hem quam te verwyten. Ende dus heeft Pacieco, onder 't snaauwen, de schamperheeden, en scheldtwoorden zyner quaadgunstighen, zyn' daaghen geëyndight. Al 't welk ik wel stuxwvs heb willen verhaalen, ten spieghele, wat een' gemeente al 55 doet, oft wat ze niet ongedaan laat, als haare lydzaamheit, door terghen op terghen in raazernye verkeert.

§ 2. De Eerste Duytsche Academie.

In het begin der 17e eeuw zag de Oude Kamer „De Eglentier" haar ledental zeer sterk toenemen, tengevolge van de ongekende welvaart, die in Amsterdam begon te heerschen. Veel nieuwe leden echter waren, zooals Hooft dat uitdrukte: „onnutten en ongebondenen, wulpsche en onbesnoeide loshoofden, die alleen tegen de geregeltheid schoorvoeten" en over 't algemeen weinig ontwikkeld waren. Weldra ontstond er dan ook strijd en tweedracht in den boezem der Kamer, welker aanzienlijke en beschaafde jeden als Hooft, Vondel, Breeroo en Coster het niet met de nieuwe broeders konden vinden, en vooral niet met hun aanvoerder Ridder Theodoor Rodenburgb.

Ook was er geen eenheid in de opvatting van het wezen

10

Sluiten