Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leerde kennen, of door het scheppen van nieuwe woorden, als hij zijn innigste gevoelens wilde verklanken of in beeld brengen.

Onverwelkbaar is dan ook zijn glorie van te zijn een onzer grootste dichters en woordkunstenaars.

A. LYRISCHE POËZIE.

1. W i 11 z a n g k.

Wat zong het vrolijck vogelkijn,

Dat in den boomgaert zat? „Hoe heerlijck blinckt de sonneschijn „Van rijckdom en van schat! 5 „Hoe ruischt de koelte in 't eicken hout, „En versch gesproten lof! „Hoe straelt de boterbloem als goud!"

Wat heeft de wiltzangk stof!

Wat is een dier zijn vrijheit waert! 10 Wat mist het aen zijn' wensch, Terwijl de vreck zijn potgelt spaert?

O slaef! o arme mensch!

Waer groeien eicken t' Amsterdam O kommerzieke Beurs,

15 Daer noit genoegen binnen quam? Wat mist die plaets al geurs! „Wij vogels vliegen, warm gedoscht,

„Gerust van tack in tack;

„De hemel schaft ons dranck en kost, 20 „De hemel is ons dack.

„Wij zaeien noch wij maeien niet:

„Wij teeren op den boer;

„Als 't koren in zijn aeren schiet „Bestelt al 't lant ons voêr. 25 „Wij minnen zonder haet en nijt, „En danssen om de bruit; „Ons bruiloft bint zich aen geen tijt,

„Zij duurt ons leven uit!"

Wie nu een vogel worden wil, 30 Die trecke pluimen aen,

Vermij de stadt, en straetgeschil,

En kieze een ruimer baen.

Sluiten