Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standige en oorspronkelijke (en daardoor veel eigenaardigheden vertoonende) wijze, waarop Cats de dingen wist te zeggen — maakte, dat, naar men beweert, niet minder dan 28 dichters hem tot voorbeeld kozen, en dus behoorden tot de zoogenoemde

Dordtsche Sehool of School van Jacob Cats.

Dat slechts weinigen van dezen er in geslaagd zijn, ook maar een gering gedeelte van den roem huns voorgangers te verwerven, is wel een bewijs, dat Cats, hoe ongunstig sommigen in de 19e eeuw ook over hem geoordeeld hebben, inderdaad een groot man is geweest, en een waarachtig dichter.

A. Uit: S1NNE- EN MINNEBEELDEN.

1. Die steelt, die queelt.

Ick vont een» op een tijdt de liefste sitten slapen,

lek sagh haer rooden mont, ick bleef' er op staen gapen, Des kreegh ick stelens lust. Maer wat een dievery!

Ick stal een kus van haer, maer sy een hert van my. 5 De muys omtrent het speek, die eet met groot verlangen, Sy vat en wort ghevat; sy vangt en wort gevangen:

Siet, wat een vreemde streeck! Wat kunstjes weet gy, liof! Ghy sit gherust en slaept, en ateelt noch uwen dief.

2. Een Rijck van dwang en duurt niet lang.

Als de most, te nau bedwongen Leyt en worstelt, leyt en^sucht,

Sonder adem, sonder lucht,

Siet, dan doet hy vreemde sprongen,

5 Siet, dan rieckt de gansche vloer Nae de dampen vande moer.

Alle banden, alle duygen,

Die het vrij, het edel nat Hielden in het enge vat,

10 Moeten wyeken, moeten buygen Yoor de krachten van den wjjn, Hoe geweldig dat se zijn.

Sluiten