Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een vast, een dick, een maghtigh hout, Wel 't hardste van het gantsche wout, 15 Dat stjjght tot boven in de lucht,

Draeght maer alleen een kleyne vrucht; En ziet, een kruyt van geener maght, Dat brenght ons voort zoo zware draght." Terwijl hy dit in gramschap zeyt, 20 En met den Hemel staet en pleyt, Een eykel boven uit den top Die valt den kinckel op den kop, En maeckt een put in synen hoet;

Des zoo verschiet zijn innigst bloet, 25 En hij zeyt': „God, vergeef et my, Ik spreke los en alte vrij,

Ick spreke tegen Uw beleyt,

En dat ick segh, heeft geen bescheyt; Want had het nae mijn zin gegaen, 30 Het ware nu met mij gedaen;

Helaea! mijn onbesuysde hooft Dat ware van zijn breyn berooft;

lek laghe met den neus in 't zant,

Alleen door enckel onverstant." 35 De mensch ia dickmaels zoo gestelt,

Zoowel in stadt als op het velt,

Dat hij verscheyden dinghen siet, En 't meerendeel en prijst hij nyet; Het schijnt, indien hij scheppen moght 40 Den Hemel met de gansche locht, Het aertrijck en het jeugdigh groen, Hij zou het vrij al beter doen.

Gij, stof en asch! gij aerden pot 1 Gij oordeel vellen over God!

45 Die noyt terdeeg hebt ondertast Een haer, dat aen uw leden was.

Gij, segh ick, die noyt kleyne mier,

Noyt hebt doorgrsnt het minste dier,

Zoudt gij berispen Godes werek? 50 Het minste ding is u te sterek;

Eilieve! 't is een quade slagh,

Dien noyt een menache pleghen magh.

14

Sluiten