Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden door een „verdiender blad." De lindelaan past alleen voor de „Haeghsche jeugd," die H. dan ook aanraadt, „de dagon bij haer veeren te vatten," want spoedig komt de Herfst, en:

Dan sal dack en tack staen schreven

Met een' vochten Herfsten-traen,

Dan sal stof in slyck verkleyen,

Dan sal dauw in mist vergaen,

205 Dan sal yeder blaedtjen spreken Dat het Linden-rijs ontswaeyt,

Meiskens, leert den hooghmoed breken,

Alle schoon-in-'t-oogh verwaeyt.

En 't ergste is wel, dat de mensch, eenmaal oud en grijs geworden, zijn jeugd en schoonheid voor goed kwijt is, terwijl de boomen, zelfs

in den winter nog mooi zijn.

Na een verheerlijking van de lindelaan in den winter, komt de dichter tot zelfbespiegeling; al moet men het vaderland beminnen boven alles, wat 't hart bekoort, toch moet de ziel haar „traege vlercken strecken" naar de plaats waar zij vandaan komt, en letten op het eeuwige. „Leertzoo zegt hij tot de ziel,

Leert het stof uw stof bevelen,

210 Leert ontstrammen eer ghy loopt,

Leert u van uw selven stelen,

Leert genaecken dat ghij hoopt:

Maer oock, Heer, om Dijner eeren,

Eewigh Een, en eenigh Goed,

215 Leert haer uyt Dyn' Leere leeren,

Wat zy leeren leeren moet.

(Nov. 1621.)

B. SCHEEPS-PRA.ET

ten overlijden van Prins Maurits van Oranje.

Mouringh, die dc vrije Schepen Van de Sevenlandtsche buert Veertigh jaren, onbegrepen,

Onbekropen heeft gestuert, — 5 Mouring, die se door de baren Yan soo menigh tegentij Voor den wind heeft leeren varen,

Al en was 't maer wind op zij, —

Sluiten