Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een ambt kreeg bij de Admiraliteit van de Maas te Rotterdam. In deze stad overleed hij in 1684.

Als 17-jarig jongeling schreef hij een treurspel, dat reeds dadelijk de aandacht op hem vestigde, en hem den steun verzekerde van Vondel, en tal van Amsterdamsche kunstminnaars.

Hij toonde echter meer aanleg te hebben voor het epischlyrische genre, dat hij bijna uitsluitend beoefende.

Verschillende groote zegezangen zijn van zijn hand verschenen. De belangrijkste hiervan is:

Bellone aen bant,

een groot episch-lyrisch gedicht, waarin hij zijn vreugde uit over het sluiten van den vrede van Breda (1667).

Den grootsten roem echter verwierf hij zich door

„de Ystroom" (1671),

een uitvoerig gedicht in vier boeken, waarin hij o. a. de groote bouwwerken en monumenten beschrijft, die langs de oevers van den Ystroom ter eere van beroemde mannen of merkwaardige gebeurtenissen zijn opgericht (A. 1.).

Het gedicht is rijk aan lyrische ontboezemingen met stoute vergelijkingen en verheven beelden. Hier en daar is het echter niet vrij te pleiten van hoogdravendheid en gezwollenheid (A. 2, vs. 3 —6); en over 't algemeen wil hij nog te veel met zijn geleerdheid pronken. Jammer, dat zijn vroegtijdige dood hem de gelegenheid benam zijn talent tot volle ontwikkeling te brengen.

A. Uit: DE YSTROOM.

1. Aan den Schreierstoren.

Men zagh er menigten vergaedren aan deez' toren, Om 't schreien en misbaer der vrouwen aen te hooren, Die man en bloetverwant geleiden met een sleep Vriendinnen, daer ze, moê rinkinkens, zich vast scheep

Sluiten