Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Groot was de invloed zijner stichtelijke liederen uit deze tweede periode van zijn leven, al staan zij uit een oogpunt van kunst over 't algemeen lager dan de verzen uit zijn Duytsce Lier. Enkele liederen echter toonen duidelijk aan, dat de dichter nog niet in hem gestorven was (B. 1.).

In 't begin van 1712 is hjj kalm en getroost overleden.

A. Uit: DUYTSCE LIER,

1. Lucella.

's Uchtends, als het haantjen kraayt, Onder 't klappen van zijn wieken,

Als de dag begint te krieken,

Eer de Huisman ploegt of zaayt, 5 Gaat Lucella bloempjens pluiken,

Daar zij 't gretig oog meê streelt: Bloempjens, die naar honing ruiken, Daar de lekk're Bey in speelt.

O Lucel, wiens bloeyend schoon 10 Al het puyk der Yelt-godinnen Pralende komt te overwinnen,

Strijkende de schoonste Kroon,

AV aard ten throon te zijn verheven,

Laat deze oogen-streeldery:

15 Wordt gy van een lust gedreven Tot de bloemen, ga met my.

Loop niet meer door 't wilde lof, Ga met my in liefdens gaarde,

Schoonste Nimph: daar baart ons d'aarde 20 Bloemen van een eèlder stof,

Die alleen de reuk niet vleyen,

Maar het lieffelyk gevoel Schaffen duizend lekkerneyen Door een streelend geestgewoel.

Sluiten