Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25 De hofhond bast met zynen makker,

Wanneer de Huisman 's morgens vroeg, Voor dag, met omgekeerden ploeg, Al zingend', trekkende ten akker, y Op zynen guyl voorby de hoven rijdt; 30 Dan waakt me en hoort de wakk're haanen, Die ons tot naarstigheid verinaanen; Gelukkig mensch, die zo zyn jaaren slyt!

Men opend vensteren en deuren,

Men ziet de starren dun gezaaid, 35 Men voeld, hoe 't weste windjen waait, Dat met een schat van verse geuren, Van Vlierbloem en Violen suikerzoet, Van Wijn-ruit, Tym en Haage-roozen, Die, als een root scharlaken bloozen, 40 U in uw huis zoo liefelyk begroet.

Daar ziet men 't bloode Haasjen loopen,

Gins zeilt den Havik in de lucht, De Klokhen raast en ie beducht,

Dat hy haar koomt heur kiekens stroopen 45 De Tortel kirt, de zwarte Lijster fluit.

Men hoort langs 't veld de beesten loeijen, Terwijl de dag begint te gloeijen En langs hoe meer haar licht te spreiden uit.

Men ziet den hof met vruchten pryken; 50 Men zaait of plant of ent den boom

Of kweelt een deuntjen aan den stroom; Zoo gaat de zomer middag stryken,

Tot dat de Zon, in 't West aan 't ondergaan, De schaduw rekt langs beemd en heyden 55 En jaagt de beesten uyt de weyden Ier kooye, met hun uyers vol gelaan.

By winter, als de watren sluiten,

Wanneer het snerpen van de vorst Het land met eene harde korst 60 Bedekt, dan blijft men in der muyten; Den avond steekt heel vroeg zyn lampen aan , De deeren zit 'er by te spinnen;

Men sluit den laauwen Zomer binnen En laat gerust den Winter buiten staan.

Sluiten