Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

65 Dan groeit het roet in schoorsteen hoeken, Dan knapt de harde Beuke-stam En roost do scheenen met zyn vlam, Terwijl men gaat te gast in boeken; Men braad in d' as Kastanien of vertelt 70 Malkander sprookjes; zo met vreden Verwacht men weer de zoetigheden Den zomer-zon, die koude bergsneeuw smelt.

Dit leven loofden alle wyzen;

Dit haagde Cats en Westerbaen; 75 Die pryzen 't ons met vaarzen aan: Dit leven zal ik altyd pryzen.

O, dat het lot my zulk een leven gaf! Myn zanglust zou veel schoonder bloejjen En met den wilg aan 't beekjen groeijen: 80 Gelyk een zwaan leide ik het leven af.

Gelukkig mensch, wien 't is gegeeven, By 't vreedzaam en onnozel vee, Dat nooit noch kwaad, noch onrecht deê, In 't veld zyn dagen af te leven! 85 De bloemekrans braveert de gouden kroon,

Die 's Konings zorg by nacht doet waaken; Geruster zit men onder daaken,

Van riet geboud, als op den hoogen Troon.

B. Uit: BYECORF DES GEMOEDS.

1. De Morgenstond.

o Welkom, schoone dageraad!

Die uit een gulde kamer gaat

Met glans van heldre straalen. 'k Ontsluit myn venster voor uw licht, 5 Om met een vrolyk aangezicht U minn'lyk in te halen.

Gy wacht niet, als ik open doe,

Maar dringd ten eersten mid'lyk toe; Ja, eer ik kom t' ontsluiten 10 En noch in 't naare duister zy,

Zo staat en wacht gy al na my Voor toe gelooke ruiten.

Sluiten