Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elergie 49, 32 geestelijkheid.

cliven 21, 36 klimmen.

rnecht 73, 13 zoon.

kneeterivgh 162, 238 aarzeling. cnochte (iite) 47, 22 uit zou (kunnen) slaan.

knoppeldoek 140, 82 knoopdoek. knutsen 64, 26 verpletteren.

coever 27, 22 voorraad.

condute 18, 17 buis, pijp.

corduane 36, 88 van Corduaansch leder.

cortelike 10, 138 weldra, binnenkort. costuyme 99, a, 15 gewoonte.

covent 34, 7 kloostergemeente.

cranke have 27, |6 voedsel van weinig

waarde.

krits 200, 269 kreits, glorie. rriseltanden 70, 9 knarsetanden.

kuin 129, 3, 4 los, vrij.

cume 17, 84 nauwelijks.

curts 80, 66 pas, onlangs.

cuwen 50, 64 kauwen.

Lachter 39, 83 schande.

langst 151, 30 heertje.

leetsine 64, B, 3 leedwezen, droefenis.

leuren 139, 33 praatjes, malligheid.

lide (ter — laten) 49, 3, 20 laten gaan.

liden 16, 12 voorbij gaan.

liebaert 15, 109 leeuw.

lien 6, 36 met gen. of acc. bekennen.

lyf 10, 146 leven.

lier 31, 196 wangen.

lindenloof 6, 19 lindeblad.

lignagie 162, 222 afkomst.

liselike 10, 154 zachtjes.

lodderoogh 171, a, 4 vriendelijk oog.

lodderlick 219, 160 lekker.

loec hi enen tuun 63, 2 maakte hij een

heining.

log 48, 45 wet.

lollen 68, 3 koesteren.

loom 219, 144 achteloos.

loos 35, 138 ij del.

Madril 131, 61 Madrid.

maelgien 6, 22 maliën, schubben.

mallic 5, 8 beiden.

mamet 74, 41 Mahomed.

mare 22, 73 bericht.

mare 28, 68 beroemd.

masseren 50, 69 ophoopen.

mekel 30, 171 groot.

mellyc 7, 15 klein, geriDg.

marren of marren 64, A, 4 toeven.

mesrocht 31, |98 toegetakeld.

mets {te) 162, 214 nu en dan.

mettinen 34, 3 do metten.

mids ontwe 16, 18 midden door.

min no mee 18, 99 ongeveer.

minage 156, 37 huishoudeljjklieid,

spaarzaamheid.

mineren 30, 157 graven.

miserkorde 17, 93 dolk.

miskien 155, 15 armzalig, ellendig. misse 53, 27 mis.

moed 6, 32 gemoed.

mogen 5, II kunnen.

myt 156, 43 kleinigheid; eig. een

oude munt van l'/2 penning. muyten (in der) 235, 60 in de kooi, hier: in huis.

Naer 8, 36 dichtbij.

nalic 6, 41 bijna.

ne (in: hine) 6, 18 hem, pron. pers.

3 ps. sg.

ne (in: mine) 6, 35 en, niet.

nechtigh 137, 72 haastig.

neeren (hem) 44, 31 zich voeden, zijn

bestaan zoeken.

nemmeer 6, 38 nooit meer.

nemme ne 28, 75 niet meer.

Sluiten