Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2°. Is ïf = « maar niet elk der momenten z Px, z Py, z Pz, dan is het stelsel aequivalent met een koppel. Dit koppel heeft J/ (z Px)*-\-(z Py)2-\-(z Pzi2 tot maximum moment, de krachten moeten daartoe evenwijdig aan 't vlak van dit koppel gedraaid worden. Wordt het stelsel gedraaid zóó, dat het evenwijdig wordt aan de as van dit koppel met maximum moment, dan is het moment van 't resulteerend koppel gelijk nul, en is er evenwicht, doch voor dien stand alleen.

3°. Is P jé o, dan is het stelsel aequivalent met een kracht gelijk z P; die, hoe het stelsel ook gedraaid wordt, door het punt (2,53) gericht is.

Omgekeerd volgt hieruit:

i°. Is het stelsel in alle standen in evenwicht, dan moet z P = z Px = z Py — x Pz = 0.

2°. Herleid zich het stelsel tot een koppel, dan moet z P — 0 en minstens een der momenten z Px, z Py, s Pz ongelijk aan nul wezen.

3°. Is het stelsel aequivalent met een kracht, dan moet 0 wezen, z P is dan de kracht.

Het gewicht en het zwaartepunt van een lichaam.

Ieder massadeeltje m van een lichaam wordt met een kracht mg in de richting van de verticaal van dat deeltje getrokken. Wordt de verandering zoowel van de richting der verticaal als van de waarde van g bij den overgang van 't eene massadeeltje tot een ander buiten beschouwing gelaten met het oog op geringe afmetingen van het lichaam in vergelijking met die der aarde, dan hebben we in het stelsel krachten, dat de zwaartekracht op de verschillende massadeeltjes van een lichaam uitoefent, een stelsel evenwijdige krachten van denzelfden zin Het heeft altijd een resultante, die door eenzelfde punt gericht is, hoe ook het lichaam beweegt.

Bepalingen.

1. De resultante van de krachten, die de zwaartekracht op een lichaam uitoefent, heet het gewicht van V lichaam.

Sluiten