Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De beteekenis van (2) is de arbeid, door de beweegkrachten verricht, als alleen verandert, berekend voor de eenheid van verandering; (I) hieruit volgt:

Is 5 een afstand (lijn-coordinaat), dan stelt (2,60) de som der ontbondenen voor van de krachten in de richting van !;

is i een hoek (hoek-coordinaat), dan stelt (2,60) voor de som der momenten van de beweegkrachten ten opzichte van de as, om welke de hoek 1 beschreven wordt; (2)

zoodat men tot vergelijkingen van den vorm (A, B, 55) gekomen is.

Deze vergelijkingen zijn alleen dan van practisch belang, wanneer er bij de virtueele verplaatsingen geen krachten ontstaan, die arbeid verrichten, zooals wrijving, uitrekking van draden of koorden, waarmede punten van 't stelsel onderling of met vaste punten verbonden zijn, enz. Want om den arbeid van die krachten in rekening te kunnen brengen, zou men de grootte dier krachten moeten kennen.

Methode van vrijmaking.

Wil men voor 't geval er zoodanig krachten optreden de evenwichtsvoorwaarden opmaken voor een stelsel krachten, en zijn de belemmeringen voor een vrije beweging van 't lichaam of het stelsel lichamen van dien aard, dat ze door krachten kunnen vervangen worden, dan voere men die krachten in, waardoor het lichaam of elk lichaam van 't stelsel vrij gemaakt wordt.

De vergelijkingen (A, B, 55) kunnen dan op het lichaam of op elk lichaam van het stelsel toegepast worden. Zij bevatten nu behalve de ontbondenen van de gegeven krachten ook die van de ingevoerde krachten.

We kunnen ze herleiden tot twee groepen vergelijkingen, waarvan de eene alleen de gegeven krachten, terwijl de andere alleen de ingevoerde krachten bevatten.

De eerste groep levert de evenwichtsvoorwaarden op.

Kunnen de onbekende krachten uit de tweede groep opgelost dus bepaald worden, dan is het vraagstuk statisch bepaald; is dat niet het geval, dan heet het vraagstuk statisch onbepaald.

Voorbeelden.

1. Het lichaat" heeft een vast punt.

Sluiten