Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijnheer de Voorzitter, dat de leden, die daarvan overtuigd zijn, dat de Kamer, waarvan de meerderheid dat gelooft, hunnen plicht zouden verzaken, zoo zij van liet recht van initiatief geen gebruik maakten.

Ik meen dus, in strijd met hetgeen de vorige spreker heeft gezegd. dat een voorstel, als het onze, niet alleen voegzaam, maar dat het, bij de overtuiging, die ons bezielt, plicht is.

In de tweede plaats heeft de spreker ingeroepen, hetgeen voorleden jaar is gebeurd; maar hij heeft dat op eene wijze voorgesteld, waaraan mijne herinnering geenszins beantwoordt. «

Hij heeft gezegd, dat degenen, die voorleden jaar een voorstel als dit hadden gedaan, zich eerst op de noodzakelijkheid hadden beroepen, den druk van de mindere klassen te verlichten. Toen vervolgens door andere leden betoogd was. dat wanneer dat voorstel wet wierd, de mindere klassen niet zouden worden gebaat, toen waren de voorstellers gekomen met een ander betoog, met de verklaring, dat de bedoeling was bres te schieten in het systeem van de accijnsen. Er was dus bij de voorstellers ten voorleden jare eene tweeledige bedoeling geweest : ééne bedoeling van den beginne af vooropgezet, eene tweede bij den aanvang verborgen, maar die de voorstellers vervolgens gedwongen waren te ontmaskeren.

Ik ontken dat, Mijnheer de Voorzitter. Ik ontken vooreerst dat wij hebben toegegeven, dat dooi- de afschaffing die wij voorleden jaar voorgesteld hebben, de zoogenaamde mindere klasse niet zou worden verlicht. Ik ontken in de tweede plaats dat wij eerst toen, nadat een tegenbetoog was geleverd, zouden hebben verklaard dat wij het op het stelsel van de accijnsen in het algemeen hadden toegelegd. W ij hebben verklaard hetgeen de Kamer verklaard heeft in haar adres aan den Koning in 1849, dat ons stelsel van belastingen herziening en verbetering behoeft. Eene verbetering, die bij de accijnsen moet beginnen. Die verbetering sluit niet eene gelieele afschaffing van de accijnsen in, maar zij sluit in. dat die accijnsen worden verminderd of afgeschaft, welke de productieve kracht der Natie in het algemeen belemmeren of inzonderheid, en hiertoe had het voorstel van voorleden jaar rechtstreeks betrekking, aan eene verbeterde volksvoeding in den weg staan. Dat hebben wij gezegd. Dat hebben wij gezegd te gelijker tijd. in onafgebroken verband met onze overige gronden, èn voor dat de discussie in de Kamer geopend was, in de gedrukte stukken, èn bij de discussie zelve. Zoodat de reden, welke do spreker beeft gemeend te ontleenen uit het toenmaals gebeurde, alsof ook nu in dit voorstel te denken ware aan tweeërlei bedoeling — aan ééne bedoeling, waarvoor men uitkomt, en aan eene tweede, die men nog op dit oogenblik ontveinst - zoodat die reden, zeg ik- te eenen male vervalt.

In de derde plaats. Volgens den spreker beeft de rede van den

Sluiten