Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorstanders van liet vorige ministerie gericht. De richting van dat ministerie, bij de jongste verkiezingen veroordeeld, begon, meende hij, zich weer meer te laten gelden. Daarom wenschte hij te weten, wat hij aan de tegenwoordige regeering had. Wilde zij vooruitgaan op den weg der individueele vrijheid, van die vrijheid „die niet alleen in kiezen en stemmen, maar in het vermogen van elk om zich zoo onbelemmerd mogelijk te bewegen bestaat", hij zou haar steunen. Toonde zij evenwel het onderscheid tusschen „vrijheidszin" en „vrijzinnigheid niet voor oogen te hebben, en eene toenadering in den zin te hebben tot de richting, die „in het belang van waarachtige vrijheid niet weder haar vorigen invloed op het beleid van s lands zaken" mocht terug erlangen, dan kon spr. zijn vertrouwen aan die regeering niet toezeggen. De vrijzinnige partij toch. die zich bij voorkeur de „constitutioneele" noemde, miskende den waren grondslag van ons staatsrecht, omdat zij den staat beschouwde als een vennootschap, waarin, onder den naam van behartiging van het algemeen belang, de belangen en inzichten van de meerderheid zegevierden. Doch de zienswijze der meerderheid kon geen grondslag zijn van staatsrecht. Spr. althans meende, dat er een hechter grondslag was om vrijheid en orde te verzekeren, dan een regeeren naar eene voor zooveel verandering vatbare opvatting van de eischen van het algemeep belang, en die grondslag was: recht. Vroeg men nu: Wat is recht? er bestond, meende hij, een onveranderlijke grondslag om dat te vinden, niet afhankelijk van eene meerderheid of minderheid : het individu, de staatsburger, de mensch, „zooals hij zich in oneindige verscheidenheid van toestanden, die het gevolg zijn van de oneindige verscheidenheid van vermogens, in de maatschappij voordoet". De „constitutioneele partij" had, door den staat zooveel mogelijk voor alles te laten zorgen, dit uit het oog verloren, en bij de burgers dien prikkel tot eigen krachtsinspanning weggenomen, „dien men aan een volk niet ontnemen kan zonder het te ontzenuwen en te verlammen". Ten slotte zich in het onzekere verklarend, of het tegenwoordig ministerie vrijheidlievend of vrijzinnig was, kwam de heer van Foreest tot de verrassende conclusie, dat hij de regeering kon steunen.

De heer van Goltstein was met ijver voor het ministerie in de bres gekomen. Sedert 1850, zeide hij, ondergingen de staatsuitgaven eene gestadige verhooging, waarvan de eigenlijke grondslag lag in het vijfde hoofdstuk: de verbetering van de rivier-afleiding, en bovenal het denkbeeld van geldelijke ondersteuning uit 's lands kas te verleenen voor werken, die in het belang van gemeenten en gewesten waren aangelegd. Vervolgens zijne staatkundige denkbeelden ontvouwend, kwam hij tot de slotsom, dat het tegenwoordig ministerie boven het vorige te verkiezen was, omdat het zich niet langer had verscholen achter een : „gij moet mijne daden afwachten", doch als eerste voorwaarde voor eene regeering in een constitutioneelen staat een programma had gegeven, waarnaar zijne richting kon worden beoordeeld. Welke waren de beginselen van dit ministerie? Getrouwe naleving en uitvoering van de grondwet, eerbiediging van het monarchaal beginsel, wering van een overdreven centralisatiestelsel. Aan die beginselen kon spr. zijn steun verleenen. Had de regeering verklaard, eerst de werking van de gemeentewet en de provinciale wet te willen afwachten, ten einde des te beter in staat te zijn. de noodige verbeteringen daarin te kunnen aanbrengen, ook daarmede kon de heer van Goltstein zich vereenigen. Men moest,

Sluiten