Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den Vorst, niet de wil van het volk bepaalt het recht — het is het individu." Ik veroorloof mij tweeërlei opmerkingen :

Vooreerst dat men op dit punt, dunkt mij. wederom ziet hoe licht de uitersten zich raken. Wat toch heeft men door de ultra s van de partij, die men de revolutionairen noemt, hooren verkondigen? Het is de afschaffing zooveel mogelijk van den Staat: omdat het niet het welzijn van de maatschappij maar van het individu, zijne individueele vrijheid, zijn individueel recht geldt. Dat. wat die ultra-revolutionairen geleerd hebben, die van geen Staat wilden weten, ziedaar het stelsel ook van den geachten spreker.

In de tweede plaats: zoo het er om te doen is. Mijnheer de Voorzitter, het individu, als beginsel van zelfstandige kracht, vrij te maken, en juist daardoor de som van de Staats- en volkskracht in het oneindige te verhoogen: ik vraag, wie hebben meer. wie krachtiger dan de constitutioneelen, dan de door den spreker verworpen liberalen, dat stelsel voorgestaan? Indien gij nevens en onder die liberalen, het vorige Gouvernement noemt, ik vraag, welk Gouvernement heeft ooit het wekken der bijzondere krachten, de vrijheid van het individu in al wat individueele ontwikkeling behoort te zijn, de vrijheid van het individu in godsdienst, in onderwijs, in wetenschap, in nijverheid, meer behartigd? Welk Gouvernement heeft zich ooit sterker tegenstander getoond van tusschenkomst van staatswege in dat alles wat aan het individu moet overgelaten blijven, dan de vorige Regeering? Wil de spreker dit ook. dan is hij hetgeen hij verlangt, verschuldigd aan die partij, die hij veroordeelt, dan ontleent hij aan ons, hetgeen volgens hem het levensbeginsel is van zijne leer.

Maar wanneer hij in de gewone feil vervalt van hen, die een beginsel overdrijven tot absolutisme, tot eene alles beheerschende macht, die geen ander beginsel nevens of boven zich duldt, wanneer hij nu verder gaat en zegt: Thet algemeen belang, dat is de groote vijand, dien wij moeten bestrijden," dan zeg ik. Mijnheer de Voorzitter. dat de geachte spreker mij toeschijnt de algemeene wet van het heelal te miskennen, volgens welke geen individu, geen wezen bestaat dan als lid van een geheel. Te bestaan als lid van een geheel, dat is onderworpen zijn aan de wet der eenheid, dat is moeten leven naar regels, die de betrekking der deelen tot het geheel en van de deelen onderling bepalen; dat brengt de erkenning mede van eene hoogere wet dan die, naar welke het individu zich. alleen en op zich zelf beschouwd, te gedragen heeft.

Tusschen die liberalen, die vrijzinnigen — heeft de spreker gezegd — en „mij" bestaat eene klove, die nimmer zal worden gedempt. Aan de ééne zijde van die klove. Mijnheer de \ oorzitter, zie ik het algemeen belang, den Staat, de maatschappij: aan de andere zijde den geachten spreker. Indien ik kiezen moet — hoe

Sluiten