Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de perken bleef' van de vrijheid van beoordeeling over regeeringsdaden. als persoonlijke beleediging is opgevat.

Hierna kom ik terug op hetgeen ik in de eerste plaats gezegd heb. Ik wensch niet eenig verwijt te doen aan den Voorzitter, zoo hij het in zoodanig geval soms beter acht de deliberatiën te stuiten of' af' te breken, omdat eene verdere verklaring in het oogenblik zelf wellicht nog noodlottiger gevolgen zou kunnen hebben dan het misverstand reeds gehad had; dat kan een wijs beleid zijn, en ik wil op die wijsheid niets afdingen; maar dit belet niet te wenschen, zeer ernstig te wenschen, dat het den Voorzitter — ook hem is niet alles mogelijk wat hij vvenscht in het algemeen gelukken moge, aan de aangestipte beginselen — die hij zoozeer huldigt als iemand van ons — de heerschappij te verzekeren.

28 November. De minister van buitenlandsche zaken toonde zich wederom zeer geraakt. Kon de heer Th. zijn vertrouwen niet aan hem schenken, zeide hij. het deed hem genoegen; ware het anders, hij zou waarschijnlijk het vertrouwen der meerderheid in de kamer moeten missen. Overigens moest de minister herhalen wat hij reeds vroeger ter gelegenheid van de interpellatiën van den heer Th. had gezegd: zich liever te willen blootstellen aan miskenning van zijn beleid of zijn verstand, dan door eene onvoorzichtige uitlating het belang van het land te schaden. Op dien grond had ook de vorige minister van binnenlandsche zaken in de zitting van 19 November 1852 (vergel. Dl. III, 1852—1853, blz. 88, 1ste lid) eene gevraagde opheldering geweigerd. En toen betrof de verzochte inlichting nog eene afgeloopen zaak, terwijl de heer Th. bij zijne interpellaties niet anders dan abstrakte stellingen te pas bracht, waarover niet zonder gevaar kon worden gesproken. Zoo was ook de stelling, dat wij in verstandhouding moesten treden met andere neutrale mogendheden, vooral met betrekking tot handel en vrije vaart, een gezegde in abstracto waarover niet te spreken viel. Alleen wenschte de minister er aan te herinneren, dat actie reactie uitlokt, en dat hij die een bepaald stelsel heeft aangenomen, dat door niemand wordt betwist, en zich dan toch versterken gaat om dat stelsel te verdedigen, den aanval uitlokt. Eene eenparige reklame door de neutrale mogendheden was aanbevolen. Maar kon eene eenparige reklame dan plaats hebben zonder aanleiding? Licht te verschaffen over de punten, waarover opheldering was verzocht, daartoe was ook dezen keer de minister niet te verkrijgen. Wat verlangde men meer, vroeg hij. dan te weten dat alle moeilijkheden, die tot voor korten tijd hangende waren, waren geschikt'?

Ik heb gisteren gezegd waarom noch de woorden, noch de handelingen van den Minister mij tot dusverre eenigen waarborg geven voor een goed beleid. Na den Minister te hebben gehoord zou ik het wellicht niet noodig gevonden hebben te antwoorden, zoo niet de gronden, waarop hij mij tegensprak, mij voorkwamen inzonderheid te berusten op misverstand, of op eene onjuiste voorstelling mijner bedenkingen.

Sluiten