Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik heb in de laatste dagen meer dan eene onjuiste aanhaling vernomen. Mijn geheugen is niet sterker dan dat van anderen; en toen het mij voor den geest zweefde, dat men onjuist aanhaalde, heb ik op een enkel punt nagezien. Een voorbeeld. Er was den Minister van Buitenlandsche Zaken tegengeworpen, dat hij zich homogeen verklaard had met het vorig Gouvernement. Wat heeft hij geantwoord ï Hij heeft ons een tegenverhaal gegeven; doch wanneer men dat met het Bijblad vergelijkt, zal de herinnering van den Minister geheel onjuist worden bevonden. De tegenwoordige Minister van Buitenlandsche Zaken had in 1850 als lid dezer Kamer \ an den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken herhaling «Ier woorden verlangd, die als leus van de constitutioneele partij uitgesproken waren door den geachten vertegenwoordiger uit Zwolle (den heer van Zuylen van Nyevelt). Waarom verlangde de Minister dit op een tijdstip, toen. naar zijne eigen erkentenis, de Voorzitter van den Ministerraad reeds eene voldoende verklaring had gegeven? ()mdat een jaar te voren door een lid dezer Kamer het woord \ olkssouvereiniteit gebruikt was. Wat antwoordde de Minister van Binnenlandsche Zaken? ,De vertegenwoordiger uit de hoofdstad wil mij zijn vertrouwen verkoopen voor eene fraze." De heer \ an Hall had gezegd, dat hij op het uitspreken van die woorden ook mij zijn vertrouwen wilde schenken. De zaak, vervolgde ik. komt eigenlijk hierop neder, dat aan den Minister de vraag wordt gericht: meent gij het wel eerlijk, wel oprecht met de Grondwet? _ls, vroeg ik. daarop een antwoord noodig? Komt daarop een antwoord te pas?' Dat het noch noodig was noch te pas kwam, heeft de vertegenwoordiger uit de hoofdstad, de heer van Hall, een jaar later zelf bewezen, want in 1851 verklaarde hij, zonder op die woorden te staan, welke vroeger de voorwaarde heetten van zijn vertrouwen, dat hij niet homogeen maar eenzelvig met het toenmalig Gouvernement was. Ik wil den tegenwoordigen Minister van Buitenlandsche Zaken hoegenaamd niet binden aan 't geen hij toen kan gezegd hebben; ik kom op dit punt alleen om de onjuistheid van de voorstelling aan den dag te brengen.

Xiet minder onjuist was de aanhaling, welke de Minister ons gisteren heeft voorgedragen. Wat heeft hij ingeroepen?

\ ooraf de opmerking, dat de Minister gisteren, toen hij gewaagde \an de weigering van den vorigen Minister van Binnenlandsche Zaken om de verlangde woorden uit te spreken, uitriep: .De Minister, over eene kwestie van staatsrecht geinterpelleerd. ontweek het antwoord. Was het eene kwestie van staatsrecht ? Het was niets anders dan eene vraag, of ik mij vereenigen kon met eene bepaalde uitdrukking. Ik hoorde nog om eene andere reden die woorden gisteren met bevreemding. De Minister van Buitenlandsche Zaken betwist mij bij deze gelegenheid, gelijk vroeger, het recht thorbecke, Parlementaire redevoeringen. 1854—1855. 3

Sluiten