Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat punt. de vrijheid van het Gouvernement om te ontslaan en de regelen te dien aanzien waren behandeld. Een paar sprekers hadden dat ontslag in verband beschouwd met toegeeflijkheid aan eene buitenlandsche mogendheid. En wat zeide hierover de toenmalige Minister van Binnenlandsche Zaken in de zitting van 7 December?

„Ditzelfde nu. dit verband met de deelneming van de Oostenrijksche diplomatie, heeft de geachte spreker uit Utrecht aangevoerd : in de meening, dat wanneer het aan de Kamer voorkwam dat de waardigheid van het land niet was gehandhaafd in den omgang met eene vreemde mogendheid, men daarover het Gouvernement wel mag onderhouden. Ik ben van het gevoelen van den geachten spreker, ik lioude dit met hem voor eene taak der Vertegenwoordiging. en hetgeen ik zeide. had met dat punt van beschouwing hoegenaamd niets gemeen.

Aldus. Mijnheer de Voorzitter, opende het vorig Gouvernement het terrein voor openbare beraadslaging, zooals het, meen ik. onder een constitutioneelen regeeringsvorm, door elk Gouvernement gaarne, overeenkomstig zijn plicht, moet worden betreden.

De minister van buitenlandsche zaken beleed schuld; hij had zich bij zijne aanhaling van den vorigen minister van binnenlandsche zaken vergist. Hij had bedoeld, zich op diens woorden van den 20sten November te beroepen (Zie Dl. III, 1852—1853, blz. t>l laatste lid.).

Zoo ik niet voor de derde maal het woord gevraagd had. zou de rede van den voorlaatsten spreker (den heer Baud) ook van mijne zijde wellicht niet zonder antwoord zijn gebleven. Nu is het mij enkel te doen om ons historisch geweten gerust te stellen.

De Minister van Buitenlandsche Zaken heeft erkend, dat hij bij zijne aanhaling uit het Bijblad eene verwarring had gepleegd: hij heeft gemeend dit nu te moeten verbeteren door inroeping van hetgeen in de zitting van den 20sten November is gezegd. Maar dezelfde verwarring blijft; want hetgeen gezegd werd in de zitting van den 20sten November heeft evenzeer betrekking, als hetgeen ik de eer had dezen morgen voor te lezen, tot de redevoering van den heer Groen van Prinsterer, en zijne vraag, of de erkenning van Napoleon III zonder wederstand mocht plaats vinden. Hetgeen thans is voorgelezen door den Minister, was door mij aan dienzelfden spreker, toen hij. niettegenstaande mijn eerste antwoord, ten tweeden male op het punt terugkwam, gerepliceerd. Dat was de gelegenheid, en op die gelegenheid komt het hier aan; in dat verband, in verband met de vraag, of Napoleon III zou worden erkend, beschouwe men het gezegde, dat deze Kamer geen kabinet van Buitenlandsche Zaken is.

De Minister heeft mij van verwarring beschuldigd. De Minister

Sluiten