Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft er niet op gelet dat hetgeen ik lieden morgen aan het slot mijner rede voorlas strekte om den geest van het vorig Ministerie te doen uitkomen ten aanzien van de erkenning van het recht dezer ^ eigadeiing. om de vraag, of de eer, de waardigheid, het recht van den Staat door onze diplomatie waren gehandhaafd, te beoordeelen. De Minister heeft gezegd: „wat de spreker heeft voorgelezen kon (/een antwoord zijn aan den spreker uit Utrecht, want die spreker had nog niet gesproken . Hetgeen ik dezen morgen heb voorgelezen is te vinden op bladz. 339 van het Bijblad van 1852—1853. Uit den aanhef zeiven van het voorgelezene blijkt, dat den spreker uit l trecht werd geantwoord.

80 November. Hoofdstuk IV der Staatsbegrooting (Justitie).

Algemeene beraadslaging.

Ministerieele verantwoordelijkheid.

De Minister van Justitie, Mijnheer de Voorzitter, heeft gisteren de discussie over de beteekenis van de ministerieele verantwoordelijkheid weder opgevat. Tot mijn groot genoegen. Ik had verwacht, dat de Minister, na hetgeen ik daarover had gezegd '), op dat gebied bij de beraadslaging over de begrooting in het algemeen zou zijn teruggekeerd; dat is niet gebeurd en ik heb toen niet gemeend, dat er genoegzame aanleiding voor mij bestond het woord tegen andere redenaars opnieuw te vragen.

Voor dat ik spreke over de ministerieele verantwoordelijkheid, stip ik een ander punt. van meer ondergeschikt belang, aan. Zoo ik den Minister wèl verstaan heb. dan heeft hij gisteren, gewagende van de kosten van zijn departement, het jaar 1833 ingeroepen, en gezegd, dat de kosten van het departement toen öf gelijk of nagenoeg gelijk waren aan het nu uitgetrokken bedrag.

Ik heb de stukken over het jaar 1833 nu niet bij mij. maar wel een uitgewerkten staat van hoofdstuk IV voor het jaar 1841 waarop tevens de raming voor 1840 is vermeld. Wat vinde ik daar voor de traktementen, in de thans aanhangige begrooting onder art. 2 begrepen? De sommen voor 1840 en 1841 zijn dezelfde: voorden secretaris en de overige ambtenaren en geëmploieerden. f 21,700; voor den kamerbewaarder en de boden en daggelden van de adsistentbedienden, f 4200, dus te zamen f 25,900. Het cijfer dat in de begrooting voor 1855 daartegen staat, is f 4(5,944.

De Minister heeft ons gisteren van de gevangenissen gesproken, die ten tijde der begrooting voor 1841 nog niet bij het departement waren gevoegd. Maar behalve dat het traktement van den inspecteur der gevangenissen, ambtenaar van het departement, elders in de

') Zie hiervóór, blz. 8.

Sluiten