Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat was het gevolg? De waardigheid, de macht der Kroon werden op het spel gezet, niet alleen voor het vervolg, maar onmiddellijk. Twee dagen, nadat de Koning die woorden had gesproken. was Calonne geen minister meer.

De minister van justitie zoowel als de heer van Goltstein kwamen tegen de uiteenzetting van den heer Th. op. Beiden ontkenden zij, reactie tegen de grondwet in den zin te hebben. Het verschil van meening kwam, zeiden zij. daaruit voort, dat de heer Th. de theorie: le roi règne et ne gouverne pas huldigde. Doch dit stelsel lag niet in de grondwet opgesloten. Dat bleek uit de artikelen 53 en andere, waarin toch zeker wel de persoon des konings was bedoeld. Al deze voorschriften namen evenwel niet weg, dat voor de besluiten en beschikkingen, die genomen worden, de medeonderteekening van den minister gevorderd wordt, en dat deze daardoor verantwoordelijk kan worden gesteld voor de besluiten, alsof zij uit zijn persoonlijke handeling voortkomen. De minister mocht dus, indien de koning hem iets wilde laten onderteekenen. waarmede hij zich niet kon vereenigen, trachten den koning te overtuigen; zelfs, zoo hij de zaak van zeer hoog belang vond, kon hij tot den koning zeggen: wil mij liever ontslaan, dan dat ik zal onderteekenen; doch ook meer niet. „Ik geloof — vervolgde de minister — dat niemand eraan twijfelt dat ik zoo iets zou doen. Maar hier verschillen wij misschien weder, dat men van dit recht, hetwelk reeds ieder vrij man uit den aard der zaak in een vrij land heeft, geen gebruik of misbruik moet maken, om den koning tot geheel andere daden te dwingen."

De Minister van Justitie heeft zijne rede geeindigd met het uiten van de meening, dat verdere discussie ten aanzien van dit hoogst gewichtig punt, de ministerieele verantwoordelijkheid, ons niet verder zal brengen. Dit geeft mij aanleiding tot twee opmerkingen.

In de eerste plaats: waaruit is deze twist gerezen ? Heb ik, hebben de constitutioneelen in deze Kamer aanleiding daartoe gegeven ? Neen. hij is ontsprongen uit het programma van April 1853, een programma ook op dit punt, zoo mij voorkomt, niet een programma van regeering maar van oppositie, van oppositie tegen het vorig Gouvernement. Dat programma is niet en kan niet, gelijk de ministerieele verantwoordelijkheid, iederen dag aan de orde zijn, maar hetgeen in dat programma verkondigd werd, is door de Ministers en niet name door den Minister van Justitie dikwijls in deze Kamer uitgebreid en aangedrongen en opnieuw verdedigd bij de rede. waarop ik voor eenige oogenblikken geroepen ben te antwoorden.

Ten andere schijnt het mij toe, dat de discussie ons reeds verder heeft gebracht, zoodat de daad. indien ik mij niet bedrieg, de woorden van den Minister van Justitie heeft wederlegd.

Ik kome tot de rede van den Minister en tot die van den afgevaardigde uit Utrecht (den heer van Goltstein), mijn onvermoeiden tegenspreker, wiens tegenspraak ik. vooral op dit gebied, niet

Sluiten