Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongaarne heb ontmoet: zijne vertoogen geven mij telkens gelegenheid mijne meening duidelijker te verklaren.

De Minister wenschte dat men het gezegde wederkeerig niet kwalijk nam. Dat is volkomen juist; de Minister is mij voorgekomen in hetgeen ik aan den afgevaardigde uit Utrecht meende te zeggen.

Die afgevaardigde is begonnen met de opmerking, dat hij tegen het lid uit Maastricht het woord opnam, dewijl deze hen. die de ministerieele verantwoordelijkheid niet uitleggen als hij. van reactie tegen de Grondwet beschuldigde. Ik herinner, dat de Minister gisteren het stelsel, dat ik voorsta, van ongrondwettigheid heeft beschuldigd: de constitutioneelen zijn „ongrondwettigen" genoemd, en ik, hoezeer niet geroepen om te spreken voor de constitutioneelen in het algemeen, ik heb verklaard, dat ik het mij tot eer rekende constitutioneel te worden genoemd. Ik neem het noch den Minister noch een lid van de Vergadering kwalijk, zoo hij mijn gevoelen ongrondwettig noemt; hij neme het mij niet kwalijk, wanneer ik zijne beschouwing uit reactie tegen de Grondwet van 1848 verklaar.

Ten aanzien van de zaak zelve, Mijnheer de Voorzitter, stel ik vooreerst ter zijde, op eene hoogte, die wij niet behooren te betreden, dat waarmede de spreker uit Utrecht is geeindigd. Die redenaar zei de: ,,de taak van den Koning is verheven boven de taak van de Ministers, de Koning is het hoofd van de Regeering." Eene onbetwistbare, ik merkte het reeds aan, door allen erkende waarheid. Maar de vraag is deze: moeten wij treden in eene anatomie van dien gezamenlijken werkkring van het Hoofd en van de leden der Regeering ? Dat is hetgeen ik niet wil; daartegen heb ik mij steeds verklaard; en daartoe is door het programma, door zoo menige rede in deze vergadering aanleiding gegeven.

Ik van mijne zijde wil, waar het op beoordeeling van regeeringsdaden aankomt, niet den Koning maar de ministers aangehaald zien.

Ik juich bijzonder toe, Mijnheer de Voorzitter, en ik heb het met groot genoegen uit den mond van den afgevaardigde uit Utrecht gehoord, de Koning is en regeert, van wege zijne grondwettige roeping, boven alle partijen. De monarchie zal steeds een geluk, wellicht de grootste weldaad voor een land zijn, waar dat beginsel wordt betracht.

Het verschil tusschen den Minister van Justitie en den afgevaardigde uit Utrecht aan de eene zijde en mijn gevoelen aan den anderen kant drukken mijne beide tegensprekers aldus uit: hetgeen de afgevaardigde uit Maastricht wil, is „le roi règne et ne gouverne pas". Wanneer men mij toeschrijft, Mijnheer de Voorzitter, dat ik dat wil, heeft men te allen tijde mijne verklaringen en mijne duidelijkste woorden miskend. Ik trede niet in het persoonlijk deelgenootschap des Konings aan de regeering. Ik wil daarin niet getreden hebben. Wat in den omgang tusschen Koning en Ministers,

Sluiten