Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik meen een woord te moeten antwoorden op hetgeen door de twee vorige sprekers (de heeren Luijben en de Brauw) is aangevoerd. Elk heeft zich kunnen voorbereiden, hebben die sprekers gezegd. \ ooreerst moet ik doen opmerken dat alle dagen met belangrijke discussiën zijn gevuld en dat men, om zich voor den geest te brengen wat op den volgenden dag zal voorkomen, wel de weinige uren behoeft, die iederen dag na de beraadslagingen overschieten. In de tweede plaats merk ik op, dat hier de vraag niet is of men voorbereid is — ik geloof het te wezen maar of men op dit oogenblik de stukken onder zijn bereik heeft die noodig zijn om eene discussie over cijfers te voeren.

2 December. De algemeene beraadslaging over het vijfde hoofdstuk werd nu aan de orde gesteld.

Ik zou, geloof ik. in de orde zijn. zoo ik nu de sprekers, die bij de discussie over de begrooting in het algemeen de voorstellen van wet van den vorigen Minister van Binnenlandsche Zaken hebben bestreden, beantwoordde. Ik zal dat niet doen. Ik zou eene discussie openen, die mij voorkomt te zijn gesloten. De antwoorden, waarop die tegensprekers wellicht wachten, zijn hun, meen ik. in vroegere vergaderingen in voldoende mate gegeven.

Wij hooren. Mijnheer de Voorzitter, alle dagen, hoeveel beter dit Gouvernement is dan het vorige. Ik zal mij over elk blijk daarvan verheugen. Volgens hen, die het tegenwoordig Gouvernement prijzen, behoeft het evenwel in één punt verschooning, en dat punt is de verhooging van uitgaven, waartoe de begrooting is opgevoerd. Die verschooning wordt gezocht bij het vorig Gouvernement. inzonderheid, zoo niet alléén, bij den vorigen Minister van Binnenlandsche Zaken. Wat toch hoorden wij beweren ? De verhooging die thans wordt voorgedragen, is de schuld van het vorig Gouvernement; zij kan niet worden geweten aan de tegenwoordige Regeering: de oorsprong is te zoeken in de handelingen harer voorgangster. De oorzaak ligt in de grootere uitgaven, die het vorig Gouvernement gevraagd en gedaan heeft voor waterstaat en publieke werken: in de overmatige subsidiën, die het vorig Gouvernement heeft verleend, uit zucht om zich in de huishoudelijke zaken van provinciën en gemeenten zooveel mogelijk te mengen, met voorbijzage van het beginsel dat Rijksgelden niet anders dan voor Rijksbelang mogen worden besteed. Ziedaar liet verwijt aan de ééne zijde, en de verschooning aan den anderen kant.

Nu wensch ik, Mijnheel' de Voorzitter, zoo eenvoudig mogelijk het stelsel, het beleid, de maat der uitgaven onder het vorig Ministerie van Binnenlandsche Zaken te verklaren. Ik erken, de vorige Minister van Binnenlandsche Zaken heeft een aanzienlijk deel thobbecke, Parlementaire redevoeringen, 1854—1855. 4

Sluiten