Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die som in 1853 tot f 237,991 beperkt vinden. Voor 1855 wordt die raming weder met nagenoeg f 49,000 vermeerderd, en tot f 286,910 opgevoerd.

De verhooging der begrooting van 1853 boven die voor 1850 bestaat voor nagenoeg 'y7 uit drie posten: verbetering der hoofdrivieren, aanleg van drie wegen en de telegrafie, te ?amen f 635,000.

De begrooting voor 1855 bereikt f 5,803,713. Zij overtreft die voor 1853 met f 471,892. Doch men zie niet over het hoofd, dat het verschil f 516,892 zou bedragen, indien men voor onvoorziene uitgaven f 80.000 en voor nieuwe subsidiën f 60,000, gelijk in 1853, had uitgetrokken.

Het vorig Ministerie, heb ik gehoord, heeft deze Regeering op een weg gebracht, dien zij onweerstaanbaar moet volgen. Het is waar, het vorig Gouvernement heeft de aansluiting van den Rijnspoorweg mogelijk gemaakt; den aanleg van een zeer groot aantal binnenlandsche wegen ondersteund; de telegrafie ingevoerd: de lang verzuimde verbetering onzer groote rivieren ondernomen: de sluiting van het kanaal van St. Andries, de vaart van Assen naai' Groningen, het uitwateringskanaal van Noordbrabant, de verbetering van den Hollandschen I.Isel en zoovele andere werken voorbereid; de veeartsenijschool op de begrooting gebracht; de geologische onderzoekingen en kaart doen beginnen: de inrichting voor weérkundige waarnemingen in een stand geplaatst, dat zij, in gemeenschap met hetgeen elders voor die nieuwe wetenschap geschiedt, aan het doel kunne beantwoorden. Ik ontken niet, dat ik de levendige beweging, die in de jaren 1850 tot 1853 aan het departement van Binnenlandsche Zaken werd gegeven, met voldoening in dezelfde richting zie voortzetten: het is een wagen, die, met de hem eens medegedeelde drijfkracht, van zelf voortrolt; maar hij wil bestuurd, en soms aangehouden zijn. Indien de nuttige werken, die het de glorie van het Departement van Binnenlandsche Zaken is te behartigen, groote uitgaven vorderen, de maat van hetgeen binnen een zeker tijdsbestek kan worden ondernomen, is van de eischen der staathuishouding in haar geheel afhankelijk en daardoor beperkt.

En dan wil ik. met betrekking tot deze begrooting, niet zoozeer vragen wat eene zuinige staathuishouding vordert, ofschoon ik geloof, dat die vraag iederen dag door den Minister en door de Volksvertegenwoordiging behoort te worden gedaan: ik wil ook niet vragen, in hoeverre al de voorgestelde uitgaven nuttig en noodig zijn. ik wil aannemen, dat ze nuttig, schoon geenszins alle. voor het aanstaande jaar althans, onvermijdelijk zijn. Maar de vraag is, staat niet een dringender belang tegen verhooging van nuttige uitgaven over? Een zoodanig belang. Mijnheer de Voorzitter, meen ik te ontwaren in de noodzakelijkheid, om ons belastingwezen te

Sluiten