Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbeteren en de lasten te verminderen van die klassen, die daardoor het meest worden gedrukt.

Is de tijd tot vervulling van dien eisch gekomen, dan moet daarvoor. geloof ik. alle verhooging van uitgaven, hoe gewenscht. wijken: en moet ook het Departement van Binnenlandsche Zaken zijn ijver voor een wijle binnen enger kring samentrekken. Men moet inkrimpen, wel verzekerd, dat hetgeen men in lasten vermindert, later in inkomsten vruchtbaar zal zijn. zoodat inkrimping weder door grooter uitzetting zal kunnen worden gevolgd.

Hier wordt verhooging van uitgaven gevraagd, die, dunkt mij, met afschaffing van belasting niet samengaat. De bereiking van dit doel wensch ik bovenal in het oog te houden. Het kan in den regel slechts worden bereikt op een bijzonder gunstig tijdstip, waarop middelen en omstandigheden samenwerken. Laat men zoodanig tijdstip voorbijgaan, het doel zal wellicht voor langen tijd worden gemist.

De algemeene opvoering van uitgaven in deze begrooting, ik spreek nu niet van die van Binnenlandsche Zaken in het bijzonder, is de grootste inbreuk, die men tot dusver op het stelsel van het vorig Gouvernement heeft beproefd. Al had ik tegen het aandeel daarin van het Departement van Binnenlandsche Zaken op zichzelf geenerlei bezwaar, al waren alle voorgestelde verhoogingen zoovele verbeteringen onzer huishouding, zij moesten in mijn oog voor eene grootere behoefte onderdoen, voor die aan de hervorming, die, naar mijne overtuiging, niet mag worden vertraagd.

Naar de meening van den heer Gevers van Endegeest, moest juist nu, nu er ruimte van geldmiddelen was, daarvan gebruik worden gemaakt, om werken aan te leggen, die men in andere tijden niet zou kunnen tot stand brengen.

Wat het getal ambtenaren betrof merkte de minister op, dat wèl volgens den toelichtenden staat over 1858 het personeel niet was vermeerderd, doch dit kwam niet overeen met de werkelijkheid. Er waren toen verscheidene ambtenaren op wachtgeld, die nu weder waren in dienst gesteld. Zoolang de minister aan het hoofd van het departement had gestaan, was het aantal ambtenaren hetzelfde gebleven als voorheen.

Twee woorden, ten einde het terrein, waarop ik mij met den Minister en met sommige sprekers bevind, toe te lichten.

In de eerste plaats, het cijfer in het algemeen. Ik heb geconstateerd en ik wensch dit opnieuw te doen, dat deze begrooting het oorspronkelijk eindcijfer der begrooting voor 1853 een half millioen nagenoeg te boven gaat. Dat is een snelle gang van verhooging binnen korten tijd. En wat moet er nu nog in den loop van het volgende jaar bijkomen!

De geachte spreker uit Dokkum (de heer Ter Bruggen Hugen-

Sluiten