Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is mogelijk, maar zij kan evenzeer voor 1855 plaats hebben gehad. Zooveel schijnt mij zeker, dat tusschen 1850 en 1853 het getal van ambtenaren, bij eene vermeerdering met 4 afdeelingen. is verminderd.

Eene tweede omstandigheid is deze: De Minister zegt: sedert 1848 zijn meerdere ambtenaren op wachtgeld gesteld, maar sommige van die ambtenaren zijn in dienst gehouden en betaald uit hetgeen voor de ambtenaren van het Departement bij het tweede artikel op de begrooting stond uitgetrokken. Dat heeft men veranderd, omdat men het niet regelmatig vond. Men heeft die ambtenaren weder in dienst gesteld. Ik treed nu niet in eene beoordeeling van de redenen, die de Minister kan gehad hebben om die ambtenaren weder te plaatsen. Maar ik moet dit zeggen: dat er groot onderscheid is tusschen het tijdelijk werk geven aan ambtenaren, die uit het kader van het departement zijn gebracht, ambtenaren waaraan men dan soms buiten hun wachtgeld eene zekere toelage geeft, en het herstellen van die ambtenaren in het kader, waarvan uitbreiding van het kader een noodzakelijk gevolg is. De uitgave voor den ambtenaar op wachtgeld is een afioopende post. Wordt hij weer in dienst gesteld, dan schept men een blijvenden post. Wat pleegt te gebeuren? De Minister zegt: hetzelfde moet met minder middelen worden gedaan, het getal ambtenaren moet worden verminderd. Die beslissing geeft aanleiding tot bezwaar en klachten, niet alleen van den kant van hen die onmiddellijk getroffen worden, maai' ook van de zijde der hoofdambtenaren, die tot dusverre door hen, welke de Minister verwijdert, werden ondersteund. Maar de beslissing is gevallen. De ambtenaren zijn door den Koning op wachtgeld gesteld. Wat nu? Nu wordt de Minister bestormd door aanzoeken van beide kanten, van hen, die, op wachtgeld gesteld, veroordeeld zijn tot een sober bestaan, en van de hoofdambtenaren van het departement, die minder personeel tot hunne beschikking hebben. Hiervan kan na 1848 het gevolg geweest zijn bij het Departement van Binnenlandsche Zaken, evenals bij andere departementen, dat de Minister aan een of meer afgetreden ambtenaren eene tijdelijke taak hebbe laten opdragen. Dit geschiedde wellicht het volgende jaar opnieuw. Maar het kader van de ambtenaren, het kader van het departement wordt daardoor niet veranderd.

Het verschil tusschen de opgaven in de Toelichtende Staten voor 1853 en 1855 en de bewering in de Memorie van Beantwoording, dat sedert 1853 geene vermeerdering heeft plaats gehad, weet ik niet te verklaren. Het is voor discussie in deze Kamer nauwelijks vatbaar, want het kan niet worden opgelost dan door een onderzoek bij het Departement van Binnenlandsche Zaken hoe het gekomen is, dat op één der beide tijdstippen eene minder nauwkeurige opgave aan den Minister is gedaan.

Sluiten