Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het besluit van 2 Augustus 1815 is een algemeene maatregel van inwendig bestuur. Zoo men dien in het Staatsblad van dat jaar vruchteloos zoekt, een lateren maatregel van inwendig bestuur, wèl en behoorlijk afgekondigd, vind ik in het Staatsblad van 1830, no. 9. Het is die van 27 Mei 1830. Art. 9 van dat besluit zegt: „Een ieder die de noodige kundigheden zal hebben opgedaan, zonder onderscheid waar of hoe hij die verkregen zal hebben, zal toegelaten worden tot het afleggen der examens en het verkrijgen der getuigschriften of graden, welke tot het waarnemen van sommige ambten of beroepen vereischt worden."

Derhalve, zoo het besluit van 1815 heeft verplicht tot het bijwonen van het akademisch onderwijs in de theologie, die verplichting is bij dezen lateren maatregel van inwendig bestuur opgeheven: en, Mijnheer de Voorzitter, zoo mij voorkomt, volkomen te recht. Ik wensch dat een kerkgenootschap vrij zij niet alleen in de keuze van zijne leeraren, maar ook in de bepaling van de voorwaarden hunner opleiding.

Van Gouvernementswege wordt de vrijheid, welke de geachte spreker vraagt, sedert 1830 niet meer belemmerd, maar de vervulling van zijn verlangen stuit op een geheel anderen hinderpaal, op de reglementen namelijk van het Hervormde kerkgenootschap zelf. Ware de bepaling van het besluit van 1815 niet reeds door het besluit van 1830 buiten werking gesteld, ik zou evenzeer als de spreker uit Steenwijk, intrekking wenschen; maar in de zaak zelve zou de intrekking niets veranderen, zoolang de reglementen van het Hervormde kerkgenootschap voorschrijven, dat de aanstaande leeraren, die bij de kerkelijke commissiën wenschen te worden geexamineerd, aan de hoogescholen te Leiden, Utrecht of Groningen onderwijs zullen moeten hebben genoten. De geachte spreker brenge dus zijn bezwaar niet bij het Gouvernement, maar bij het kerkgenootschap in.

Ik besluit, Mijnheer de Voorzitter. Indien art. 9 van het besluit van 1830 niet reeds bestond, dan zou ik met den geachten afgevaardigde uit Steenwijk tegen het besluit van 1815 opkomen; want aan het kerkgenootschap zelf moet zijn overgelaten te bepalen, waar en hoe zijne leeraren zullen worden gevormd. Wil nu de geachte afgevaardigde zijne klacht indienen daar. waar de oorzaak ligt, bij het bestuur van het kerkgenootschap? Dan durf ik zóó ver niet met hem medegaan. Indien toch dat bestuur het nuttig en noodig oordeelt, aan de aanstaande kerkleeraren voor te schrijven: „gij zult uwe studiën aan eene Landshoogeschool hebben volbracht, alvorens tot ons examen te worden toegelaten"; waarom zoude men ook hierin het kerkgenootschap niet vrijlaten?

Sluiten