is toegevoegd aan je favorieten.

De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer van Lennep was niet voldaan. Het besluit van 27 Mei 1830. meende hij, hield wijziging in van de bepalingen omtrent het onderwijs. Waar daarin gesproken werd van examina, werden dus daaronder verstaan diegene die aan een hoogeschool werden afgenomen. Overigens, meende hij, zou het kerkgenootschap toch niet bij machte zijn. aan den onbillijken toestand een eind te maken. Alle andere kerkgenootschappen hadden eigene door den staat gesubsidieerde seminaria. Alleen de hervormde kerk moest hare leeraren betrekken van eene staatsinrichting.

Het is, geloof ik, geconstateerd, dat de verplichting, waarover de spreker uit Steenwijk zich beklaagde, niet meer bestaat, dat integendeel de vrijheid bestaat, die hij voor het Hervormd kerkgenootschap met betrekking tot de opleiding van aanstaande leeraren zeer terecht vordert. En om den geachten spreker niet enkel te laten bij dat ééne artikel, zal ik hem verzoeken kennis te willen nemen van het Koninklijk besluit van 28 Juni 1830. Hij zal gezien hebben dat art. 9 van het door mij aangehaalde besluit aan het slot zegt:

.Onze Minister van Binnenlandsche Zaken zal Ons, zoodra mogelijk, de noodige voordracht aanbieden, tot het bepalen der wijze waarop de hierboven bedoelde examens zullen worden afgenomen." Welnu, de Minister van Binnenlandsche Zaken heeft de voordracht gedaan, daaruit is het besluit van 28 Juni 1830 voortgevloeid, waar de wijze wordt voorgeschreven, waarop de examens zullen worden afgenomen aan diegenen, die geene instelling van publiek onderwijs hebben bezocht, maar de graden wenschen te bekomen. Dus is niet alleen het beginsel vastgesteld, maar ook de uitvoering geregeld.

Wanneer nu de geachte spreker volhardt: „evenwel worden de aanstaande leeraren naar de theologische faculteiten van Leiden, van Utrecht, van Groningen gezonden en die faculteiten bestaan uit landsambtenaren", dan is dit de verkiezing van het Hervormde kerkgenootschap. Acht dat genootschap die faculteiten niet behoorlijk ingericht voor het onderwijs zijner toekomstige leeraren, welnu, het zal andere maatregelen weten te nemen.

Zoo men aan den Staat het recht om hoogescholen te stichten, niet betwist; zoo men zelfs den plicht van den Staat om dit te doen, erkent, dan zal men het recht om aldaar theologische faculteiten te vestigen, wel niet ontkennen. Het onderwijs dier theologische faculteiten moet openstaan voor ieder, die er gebruik van wil maken; en dit zal zelfs door hen met vrucht kunnen geschieden, die, wat sommige leerstellingen betreft, meenden het faculteitsonderwijs niet te kunnen vertrouwen. Aangenomen, het bestuur van het Hervormd kerkgenootschap ware in dit geval, het zou zich evenwel van het landsonderwijs tot op een zekere hoogte kunnen bedienen, onder voorbehoud om voor het leerstellige een bijzonder