Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderwijs, hetzij met hulp van Staatswege, hetzij zonder dien bijstand, te vestigen.

Ik voeg er de opmerking bij. dat het examen over het leerstellige in de hand is van de kerkelijke autoriteit, die het aldus steeds in hare macht heeft 0111 het onderwijs te controleeren en te verbeteren.

Mijne conclusie is opnieuw, dat zoo men meent klachten te hebben, men zich niet, gelijk men ook onder het vorig Gouvernement deed, tot de Kegeering, maar tot de Synode moet wenden.

Benoeming van de hoogleeraren in de theologie. Ve heer van Reede wilde haar overlaten aan de hervormde kerk. P<? regeering zei hij, had om des vredes wille, „ten genoegen van eene bovendrijvende partij in de kerk. hoogleeraren aangesteld, waarvan in den regel moest worden gezegd, dat zij niet alleen de leer der kerk niet waren toegedaan, maar zelfs die leer bestreden."

De regeering, meende de heer Elout, ging bij de benoemingen te zeer af op hetgeen hare officieele organen haar mededeelden.

De geachte spreker, de afgevaardigde uit Utrecht (de heer van Gcltstein) schrijft mij een twijfel toe over de rechtskracht van het besluit van 181"). Ik heb dien twijfel niet rechtstreeks te kennen gegeven. Ik heb. ten aanzien van het punt in deliberatie, aangevoerd en zoo ik meen bewezen, dat een voorschrift van dat besluit van 1815, van dien algemeenen maatregel van inwendig bestuur, was ingetrokken door een lateren maatregel van inwendig bestuur, welke in het Staatsblad geplaatst is. terwijl de vroegere maatregel, van 1815, niet in het Staatsblad is te vinden.

Hierna veroorloof ik mij twee vragen te richten aan de geachte afgevaardigden uit Amersfoort en Gorkum (de heeren van Reede en Elout). Ik richt die met te meer vertrouwen aan hen, omdat, zoo iemand in deze vergadering, ik met hen instem ten aanzien van het beginsel van vrijheid van elk kerkgenootschap.

De eerste vraag betreft inzonderheid den spreker uit Amersfoort (den heer van Keede). Deze heeft gewenscht dat het recht van benoeming van hoogleeraren in de theologie mocht worden overgelaten aan de Kerk. Mijne vraag, die ik aan het geachte lid onderwerp, is deze: „zouden zij, die van het geloof zijn Yftn den geachten spreker, zijn geholpen, indien het Hervormd kerkgenootschap de benoeming had der hoogleeraren ? Zouden zij op den weg, dien zij wenschen betreden te zien. zijn gevorderd?'

Eene tweede vraag betreft een punt van meer algemeene strekking. geopperd door den geachten spreker uit Gorkum. den heer Elout. Deze heeft aan de Regeering — niet juist deze: deze Regeering is nog jong en misschien ten aanzien van den geachten spreker hoopgevend — maar aan alle vorige Kegeeringen. sedert de oprichting van het Koninkrijk, het verwijt gedaan, dat het Gou-

Sluiten