Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ja de meeste der voorgestelde uitgaven nuttig acht, deze uitgave houd ik voor nutteloos — ik zeg meer — voor verkeerd en schadelijk.

Ik meende, dat oordeel met een paar eenvoudige woorden te kunnen staven, zonder daarbij te gewagen van 't geen vroeger is voorgevallen, zonder zelfs het woord Instituut te noemen, of eenig antecedent uit zijne geschiedenis voor den geest te roepen. Ik had mij niet voorgesteld, dat de uitbreiding der Akademie van Wetenschappen of 't geen men de herstelling van het Instituut gelieft te noemen, eene zóó lange apologie zou behoeven als wij van den afgevaardigde uit Steenwijk (den heer van Lennep) hebben vernomen. Zij verplicht mij niet, om van mijne zijde uitvoerig te wezen: — ik wensch dien spreker geenszins op zijnen weg, noch op al de zijpaden, die hij doorwandeld heeft, te volgen: maar om bij de twee woorden, waarmede ik dacht te kunnen volstaan, nu nog een paar andere te voegen.

De s preker heeft, tot mijne verrassing, in de eerste plaats de uitbreiding der Akademie als eene politieke kwestie beschouwd. In de gangen, die hij op dat gebied deed, zal ik hem niet vergezellen. Die geachte spreker moet zelf gevoelen hoeveel aanleiding hij aan hen, die anders denken, gegeven heeft, om uit te weiden over het door hem in het licht geplaatste feit, dat het tegenwoordig voorstel tot uitbreiding uit reactie ontspringt, zooals dat in den weerstand, die zich tegen de vroegere vereenvoudiging van het Instituut verhief, zeer verschillende elementen van verzet tegen het toenmalig Gouvernement zijn samengevloeid: elementen van weerstand, die zich om niets minder dan om het heil van de wetenschappen bekreunden. Indien het noodig was, iemand de behandeling van het thema gemakkelijk te maken, hoezeer bij de vorige vereenvoudiging, gelijk bij de nu voorgestelde uitbreiding, vragen van persoonlijke eigenliefde, van gekwetste ijdelheid zijn betrokken, de rede van den geachten spreker zou mij en anderen op dien weg hebben gebracht. Maar ik wil ten aanzien van dit gedeelte van de rede van den spreker slechts eene opmerking maken, en die betreft een cijfer. Het geldt een blijkbaar onrecht 't welk de spreker in zijn eigen stelsel gedaan heeft aan het voormalig Gouvernement. Volgens hem heeft het vorig Ministerie plotseling het subsidie aan het Instituut tot de helft gereduceerd, en dat lichaam door die plotselinge vermindering in eene dubbele verlegenheid gebracht. Doch wat is de waarheid ? Het vorig Ministerie heeft niets verminderd; het heeft noch plotseling noch langzaam een enkelen cent aan het Instituut ontnomen. De spreker gelieve de begrooting, die in 1849 door den toenmaligen Minister van Binnenlandsclie Zaken, den heer de Kempenaer, is voorgesteld, in te zien. Voor den dienst van 1849 was in 1847 aan het Instituut toegestaan f 12,500; de begrooting was toen nog voor twee jaren.

Sluiten