Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zondering moeten leiden in een land. waai' nog geenerlei publieke instelling van dien aard bestaat, zou ik niet voor alle gevallen durven verzekeren. Of men de Akademie van Wetenschappen had behooren op te richten, indien men niet reeds in het bezit deieerste klasse van het Instituut ware geweest, is mijns inziens aan twijfel onderhevig: er is voor, er is tegen te zeggen. Doch bij de telkens wederkeerende behoefte der Regeering aan advies op het gebied der wis- en natuurkundige wetenschappen, scheen het raadzaam, het werktuig of orgaan, dat men reeds bezat, niet te verbreken.

Deze uitzondering nu daargelaten, vraag ik. zijn wij, is dit land in omstandigheden dat de ontwikkeling der wetenschappen niet aan de individus en hunne vereenigingen met volle vrijheid kunne overgelaten blijven? Is het noodig, Mijnheer de Voorzitter, nevens hunne pogingen eene publieke instelling te plaatsen? Naar mijn inzien is daarvoor in onzen toestand niet ééne reden, en de opgedrongene publieke instelling zal nadeelig werken. Men bezigt een valschen prikkel. Men zet sommige beoefenaars van letteren en wetenschappen in de publieke instelling als in een leuningstoel; men vleit daardoor hunne eer- en titelzucht: maar nien wekt in hen geene kracht; en men ontmoedigt de anderen, die uitgesloten zijn. Het is een privilege, dat men verleent, en dat nergens, maar vooral op dit gebied niet te pas komt. Ik spreek niet van hetgeen het Instituut al dan niet heeft uitgericht: maar het is natuurlijk, en de geschiedenis van alle dergelijke lichamen heeft het overvloedig bewezen, dat men, in eene dergelijke instelling gezeten, zich niet haast noch inspant. Want men heeft eene eervolle plaats, onafhankelijk van hetgeen men verricht. De Regeering, zoodanig gesticht oprichtende, komt in een gelijk geval, als wanneer zij, door ontijdige tusschenkomst, de partikuliere nijverheid stuit, die aldus gehinderd wordt te bepuceven, hoever zij het met eigen vermogen brengen kunne.

De geachte spreker uit Steenwijk beveelt de voorgestelde uitbreiding in de eerste plaats hiermede aan, dat de nieuwe instelling -geheel wetenschappelijk" zal zijn. hetgeen volgens hem, het overleden Instituut niet was. Ik weet niet, of hij aldus als orgaan van het nieuwe lichaam, dan van het voormalig Instituut sprak. Het is volgens hem eene aanbeveling, dat in de Akademie geene kunst als kunst zal worden beoefend. Men zal slechts de theorie der bouwkunst, poëzie, muziek en andere kunsten behandelen. Deed men in het voormalig Instituut iets anders? Heeft men aldaar soms gedichten voorgedragen, dit zal toch wel geene hoofdoorzaak van stoornis of afbreking der ernstige verrichtingen van dat lichaam zijn geweest? Heeft men er ooit concerten gegeven? Mij is daarvan niets bekend. Maar nu men de voormalige vierde klasse aanroert, thorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1854—1855. 5

Sluiten