Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren middelen ter verbetering niet aangevraagd. Bij den aanvang der algemeene discussie over het hoofdstuk zette de minister van marine zijn standpunt nader uiteen. Zijn werkplan was. langzamerhand tot verbetering en herstel over te gaan. Met verbetering der administratie was begonnen: daarna waren maatregelen genomen, om meer en beter personeel voor de vloot te verkrijgen: thans was

, de beurt aan het materieel. Doch dit jaar kon daartoe nog niet worden overgegaan, omdat daarvoor eerst een goed stelsel van aanbouw behoorde te worden vastgesteld. Daaraan werd nu gewerkt. Was men -jpoedig ermee gereed, dan zouden nog bij suppletoire begrooting gelden worden aangevraagd: anders zouden op de volgende begrooting de noodige sommen voorkomen.

Ik wensch mij niet bezig te houden niet het persoonlijk gevolg, dat eene afstemming van dit hoofdstuk zou kunnen hebben. Dat is de zaak van den Koning; dat is de zaak van den Minister, die weten moet of hij. wanneer hem van de zijde van die leden, die gemeenlijk het Ministerie ondersteunen, vertrouwen wordt ontzegd, nog aan het hoofd van het Departement zal verkiezen te blijven.

Ik wensch mij geluk met mijn voorstel van gisteren, ten gevolge waarvan wij in het bezit zijn van het stuk, dat de Minister voordroeg en dat ik met aandacht heb overwogen.

De Minister van Marine behoort niet tot de zeer mededeelzame, tot de zeer spraakzame menschen. Ik laak dat niet. Ook ik houde meer van doen dan van spreken. Ik verheug mij evenwel, dat wij een man, als dien Minister, zulk eene uitvoerige rede hebben kunnen ontwringen, en stel dat vertoog op des te hooger prijs.

Het stuk heeft in meer dan één opzicht een gunstigen indruk op mij gemaakt. Maar het heeft op een hoofdpunt den ongunstigen indruk, dien de begrooting op mij had te weeg gebracht, niet weggenomen. Ik zal dat punt straks aanvoeren, want ik verlang den Minister gelegenheid te geven, door een antwoord op de vraag, die ik de vrijheid zal nemen te doen, mijn twijfel, of liever den ongunstigen indruk, dien ik ontving, te doen ophouden.

Het stuk heeft een gunstigen indruk op mij gemaakt als ministerieele rekenschap. Het stuk is als zoodanig helder en eenvoudig. Ik heb er ook met genoegen in opgemerkt, dat deze Minister het voorbeeld van zijne ambtgenooten: den Koning voor te schuiven, niet volgt. De grondstelling, welke de Minister inroept, dat het cijfer voor Marine, welk belang men ook in haar stelle, met het geheele tinancieele systeem dient overeen te stemmen, die grondstelling komt mij juist voor. Het is, Mijnheer de Voorzitter, — ik heb het meermalen in den loop dezer discussie gezegd — voor mij eene grief tegen de aanhangige Staatsbegrooting, dat ik daarin die harmonie mis. Het is juist in zoodanige harmonie dat de eenheid en het stelsel van een Ministerie zichtbaar wordt, niet in een angstig leunen der Ministers op elkander, daar waar het de taak

Sluiten