Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij zijn thans met den Minister op een ander terrein dan vroeger. A roeger wilde de Minister niet hooren van een bepaald stelsel, ten minste niet van eene verbintenis om een bepaald systeem tot grondslag te nemen. Dat is, dunkt mij. de duidelijke strekking van hetgeen voorleden jaar in de Memorie van Antwoord op het verslag over de begrooting voor 1854 voorkomt: .Het mag", zegt de Minister aldaar, „niet onopgemerkt blijven, dat het te eenen male ondoenlijk is. om voor de in dienst te hebben schepen eenig stelsel onherroepelijk te blijven aankleven. Verandering van staatkundige omstandigheden in vreemde rijken, vooruitgang der wetenschap en daaruit voortvloeiende veranderingen in de wijze van bouwen en bewapenen en in de grondbeginselen der beweegkrachten op die schepen aan te wenden, en meer dergelijke oorzaken, verplichten niet zelden, ja men zou mogen zeggen bijna dagelijks, tot wijzigingen in voorgenomen stelsels."

Eergisteren is door het geachte lid uit Alkmaar (den lieer Rochussen) herinnerd, dat de Minister vroeger gezegd heeft (niet voorleden jaar, maar in 1852), „dat hij een stelsel zou geven, indien men hem geld gaf", eene verzekering die, woordelijk aldus opgevat, lijnrecht in strijd zou zijn met de tegenwoordige verklaring van den Minister, in het betoog, dat hij eenige dagen geleden aan deze Kamer heeft voorgedragen. Daarin wordt ons gezegd: „Gij zoudt mij te recht van roekeloosheid beschuldigen, indien ik meer geld vroeg, zonder te weten, hoe dat geld te besteden". Eene stelling, dunkt mij, alleszins onze goedkeuring waardig. In 1852, bij de discussie over de begrooting, had de Minister, antwoordende aan het geachte lid uit Dokkum (den heer Ter Bruggen Hugenholtz) deze woorden gesproken: „Een stelsel aan te nemen is gemakkelijker gezegd dan ten uitvoer gelegd. Wanneer ik over eene begrooting zal kunnen disponeeren. voldoende voor de behoeften van de Marine, dan zal ik tot een vast stelsel kunnen komen. In de laatste jaren heeft men zich met eene veel geringere begrooting moeten behelpen dan vereischt werd. en daarmede heeft men zooveel verricht als er verricht kon worden. Ik zal een stelsel aannemen wanneer ik eene voor de behoeften van den dienst toereikende begrooting zal hebben. Dit nu meen ik zoo te mogen verstaan: de Minister wilde zich door de blootlegging van een bepaald systeem nog niet verbinden, en daar hij wel voorzag, dat men, zonder een dergelijk stelsel onder de oogen te hebben, niet meer geld op de begrooting zou brengen, heeft hij daarin een natuurlijk middel van uitstel gezien° Ik meen dus als de vroegere meening van den Minister te mogen aannemen: vooreerst nog geen systeem.

Nu zijn wij op een ander terrein. Nu heeft de Minister gezegd: een stelsel is mogelijk en ik zal u binnen het jaar een stelsel voordragen.

Sluiten