Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betrekking en vervolgens gedurende drie jaren bedacht zij geweest op verbeteringen betreffende het personeel, doch al hetgeen moest leiden tot het voorbereiden van een plan van inrichting der scheepsmacht hebbe achtergesteld tot op het tijdstip dat die verbeteringen ten aanzien van het personeel zouden zijn tot stand gebracht. Dezen indruk zal de Minister kunnen uitwisschen, zoo hij aantoont, dat tot voorbereiding van dat systeem, waarvan wij nu de mededeeling binnen een jaar mogen tegemoet zien. al het noodige reeds is verricht.

Beraadslaging over het in behandeling nemen van het voorstel van den heer van Nispen c. s. tot afschaffing van den accijns op het gemaal der rogge (voortzetting; zie hiervóór, blz. 74). De centrale afdeeling oordeelde het wenschelijk. de behandeling van het voorstel uit te stellen tot na de kerstvacantie. De heer van Rappard stelde eene motie in dien geest voor, ten aanzien van het voorstel tot afschaffing van dtn accijns op de brandstoffen.

Mijnheer de Voorzitter, de afgevaardigde uit Amersfoort (de heer van Rappard). die zich verklaard heeft tegen alle afschaffing van belasting op dit tijdstip, heeft zich verwonderd, dat ik mij, namens de voorstellers, verrast heb getoond door zijne motie van orde. ..In het verslag, zeide hij, over het voorstel van de drie heeren is dan toch genoeg aanleiding geweest om aan zoodanig voorstel te denken."

Ik kon bij deze gelegenheid niet aan eene mijns inziens ontijdige motie denken; veel minder nog aan eene verklaring der Regeering als die, welke thans is afgelegd. Dat is nu evenwel gebeurd, en ik kan thans namens de voorstellers ons gevoelen kenbaar maken.

Vooreerst, Mijnheer de Voorzitter, zijn wij geenszins overtuigd, dat de tijd inderdaad ontbreekt. De voorstellers meenen. dat hetgeen hier dient vóór alles te gaan, is de overweging van het algemeen belang; en het algemeen belang dringt in dit gewichtig onderwerp tot een spoedig besluit.

Ik merk voorts op, dat de verklaring der Regeenng, bestemd om de overweging van het voorstel der drie heeren vrij te maken, in nauwer verband is met dat voorstel, dan met het onze.

Ons voorstel is daarenboven in staat van wijzen; ten aanzien van het andere is tot dusverre slechts besloten, dat het in overweging zal worden genomen.

Ook moet ik. wat de verklaring van den Minister van Financiën betreft, zeggen, dat het ons, in betrekking tot de beide voorstellen te zamen, niet genoeg voorkomt dat de Minister de voordracht der middelen wederom op den voet van voorleden jaar brenge. Wij

Sluiten