Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ten uitvoer te leggen, — maar bij hetgeen dit jaar wordt voorgesteld, op het oog te hebben wat in het volgende, in het derde, in het vierde jaar zal moeten geschieden. Eerst dan (en ik dacht dat was ook de meening van den Minister) kan hetgeen toegestaan wordt, toegestaan worden op een vasten grond, met een duidelijk besef dat men het toestaat tot een goed wel overlegd doel. Nu komt het mij voor, na de laatste woorden van den Minister, dat hij een plan zal voordragen enkel om de Vergadering tevreden te stellen, en dan vraag ik, Mijnheer de Voorzitter: welk een waarborg zal dergelijke voordracht ons kunnen aanbieden?

Artikel II. Af- en overschrijving.

Onder de artikelen, hier opgeteld, welker uitgaven kunnen worden aangevuld uit den post voor onvoorziene uitgaven, vind ik bijv. art. 1"> genoemd: „Traktementen can zee-officieren en adelborsten"; art. lt>: „ Traktementen van inspecteurs, officieren can administratie, adjunct-administrateuren en scheepsklerken"; beide posten, nu reeds verhoogd, en die nu nog zullen kunnen worden aangevuld tegen den regel, die in andere hoofdstukken der begrooting wordt in acht genomen en medebrengt, dat op uitgaven voor het personeel doorgaans niet kan worden overgeschreven. Maar wat niet kan worden aangevuld dat is art. 11: „Aanschaffing van materialen tot aanbouw, aftimmering, uitrusting en gewoon onderhoud van schepen, stoom- en andere werktuigen; aanbouw van vaartuigen bij partikulieren enz. Dat artikel wordt in art. 2 niet genoemd, en daarvan wensch ik de reden te vernemen. Zoo er eenig artikel is waaromtrent bevoegdheid tot aanvulling uit den post voor onvoorziene uitgaven zou kunnen schijnen te pas te komen, dan is het dit artikel, hetgeen uitgaven aanwijst voor de materialen, voor den aanbouw, de aftimmering, uitrusting en het gewoon onderhoud van schepen. Ik wensch dus verklaard te zien, waarom die bevoegdheid niet is voorbehouden.

Het was onmogelijk, zei de minister, daarop ,.voor de vuist" te antwoorden. Er zou wel een goede reden voor bestaan. De heer van Akerlaken stelde daarop voor, artikel 11 mede te vermelden.

Ik kan vooralsnog genoegzame reden zien om art. 11 op te nemen onder de artikelen, in art. 2 genoemd. Maar bestaat er dan genoegzame reden om artt. 15 en 16 op te nemen waarin de traktementen van zee-officieren, adelborsten, inspecteurs, officieren van administratie, adjunct-administrateurs, scheepsklerken, worden bepaald? W elke is de bijzondere reden, die verplicht zulke artikelen in art. 2 te noemen: op artikelen van dien aard en dien inhoud is. in

Sluiten