Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nooit de krachten der natie kan te boven gaan, — dit geenszins altijd doorgaat ten aanzien van hetgeen volgens het bef/rij) ran den een of pan den ander tot die defensie wordt vereischt. Ik geloof dat ik dit verschil enkel behoef aan te stippen, om er het gevolg van te doen gevoelen.

Wanneer ik nu van mijne zijde hetgeen als noodig voor de defensie wordt gevraagd vergelijk met onzen toestand, met den toestand van ons Land zooals ik dien beschouw, dan ontmoet ik hier, in dit hoofdstuk, de stoutste aller verhoogingen eener zeer verhoogde Staatsbegrooting, de grootste breuk in het eenvoudig zuinig huishouden, sedert 1848 en 1849 ingesteld, en den meest beslissenden stap om onze uitgaven van 68 a 69 millioen tot 72 millioen en meer, of. na aftrek van het Huis des Konings en van de rentebetaling en aflossing der schuld, van 31 a 32 tot 34 a 35 millioen te brengen. In die verhooging vind ik groot bezwaar, en ik heb dit bij elke gelegenheid doen gelden. Ieder zal bij het doorloopen van de verschillende hoofdstukken eener begrooting uitgaven aantreffen, met wier doel hij meer is ingenomen dan met dat van andere. Uitgaven, met wier doel ik bijzonder ben ingenomen zijn de meeste van die, welke in het hoofdstuk van Binnenlandsche Zaken voorkomen. Evenwel, Mijnheer de Voorzitter, heb ik mij verplicht gerekend tegen dat hoofdstuk te stemmen. Waarom ? Niet alleen omdat ik ook daar sneller uitbreiding, dan de perken eener matige huishouding gedoogen. ontwaarde, maar inzonderheid omdat, volgens mijn gevoelen, een alles overwegend belang op dit oogenblik en in de volgende jaren tegen elke niet onvermijdelijke uitgaaf overstaat. Dat alles overwegend belang, hoe groot ook het belang zij dat aan eene voorgestelde uitgave kan zijn verbonden, dat alles overwegend belang is de algemeen erkende behoefte, erkend zoo door de Regeering als van verschillende kanten in deze Kamer, om het belastingwezen te herzien en de lasten te verminderen. Tegenover die behoefte, eens erkend, staat de verplichting om in alle uitgaven de strengste maat te houden. Er is een tijd. waarin een gouvernement verplicht is lang verschoven uitgaven in te halen, maar er is ook een tijd van zoodanige hervorming als die, waarop ik thans doel. Is die tijd gekomen, dan mag men tot geene uitgaven besluiten dan die, in het jaar zelf, volstrekt noodzakelijk zijn. Indien men niet slechts eene enkele wijziging onzer belastingen wil om dan weder stil te staan of te keeren, indien men eene breede baan voor de lang gewachte verbetering, die zonder eenigen schok niet mogelijk is, wil openen om daarop langzaam maar gestadig voort te gaan. dan moet men voorbereiden, en de uitgaven daarnaar, zonder aarzeling, in tijds schikken.

II. De tweede opmerking. Ik begin met de herinnering van den Minister, „dat elke begrooting slechts is voor één jaar." De Minister

Sluiten