Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Minister heeft in zijne schriftelijke mededeelingen. en in zijne redevoeringen, gisteren en heden gehouden, niet gewankeld. Ik heb niet vernomen, dat de Minister het gevaar van oorlog of de buitengewone omstandigheden, waarin Europa verkeert, heeft ingeroepen. Hij heeft alleen de belangen van den tak van dienst, aan welker hoofd hij is geplaatst, doen gelden.

Bij die gelegenheid. Mijnheer de Voorzitter, heb ik met uitnemende voldoening van den Minister de woorden gehoord: ..Het leger is niet in een staat van vervalen de Minister meent, dat dit ook vroeger niet is gezegd.

Wat heeft nu in de laatst vorige jaren plaats gehad ? Ik ga het buitengewone jaar 1848 voorbij. In 1849 bedroegen de uitgaven voor Oorlog f 10,771,556; de begrooting voor dat jaar was opgemaakt in 1847; men had van het toen geraamde cijfer bijkans een millioen overig gehouden.

En wat heeft men in 1850 uitgegeven? Iets meer dan 10 millioen en 111 duizend gulden. In 1851 daalde de uitgaaf tot f 10,057,425; in 1852 bleef zij nagenoeg die som, f 10,061.4f»9. In 1853 was zij liooger, maar bereikte zij toch het cijfer van f 10,400,000 nog niet.

In die jaren is het leger niet in verval geraakt. Wij hebben gehoord, hoe de Minister van Oorlog, met eene edele fierheid, de landmacht tegen dergelijk vermoeden vrijwaart. In al die jaren heeft men evenwel de behoeften van den dienst met iets meer dan 10 millioen bestreden; ja in de meeste verre het grootste deel der 4 tonnen gouds, die boven de 10 millioen geraamd waren, bespaard.

De Minister heeft in zijne rede onderscheidene posten aangehaald, die het budget van Oorlog verzwaren, zonder rechtstreeks in betrekking met de defensie te zijn, zooals de pensioenen, de bijdrage aan de Maatschappij van Weldadigheid voor vestiging van militaire huisgezinnen, en die aan het invaliedenhuis te Leiden. Maar in de jaren, waarvan ik spreek, en waarin men met iets meer dan 10 millioen uitkwam, stonden die posten eveneens op de begrooting.

Wanneer ik mij herinner wat ik in Maart heb gezegd, wanneer ik overleg, wat, na hetgeen ik nu gehoord heb, mijn besluit moet zijn. dan kan ik dit in twee woorden samenvatten. Ik kan niet besluiten tot verhooging van den gewonen staat van oorlog en dus niet tot zoodanige verhooging als thans wordt gevraagd. Maar legt men mij twee begrootingen voor, de eene hetgeen mijns inziens het normaal cijfer moet blijven, omstreeks 10 millioen, iets meer of iets minder, niet te boven gaande, en eene tweede begrooting, waarin op bepaalde gronden voor buitengewone behoeften eene zekere som wordt voorgesteld, dan zal ik de redenen, die men voor de laatste bijbrengt, beoordeelen. Denkelijk trede ik dan evenwel in die dis-

Sluiten