Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den middenprijs van de inschrijvingen. Inderdaad komt dit overeen met mijne berichten. Maar volgt hieruit, dat de Maatschappij niet mëér ontvangt dan aan de partikuliere fabrikanten zou moeten worden betaald? Mijnheer de Voorzitter, er wordt eene inschrijving geopend voor 100,000 koffiezakken. Een fabrikant schrijft in voor 50,000 stuks tegen 50 cents; een tweede voor 30,000 tegen 52 cents en de derde voor 20,000 a 54 cents. Welnu, die drie inschrijvingen, alle gegund, strekken tot grondslag; zoodat. volgens het beginsel, door den Minister erkend, aan de Maatschappij van Weldadigheid, die ten minste twee derde gedeelten van de geheele behoefte levert, dus het dubbel getal van hetgeen bij inschrijving wordt aanbesteed, 52 cents worden toegestaan. Het gevolg zal natuurlijk zijn, dat de Maatschappij meer ontvangt, dan waarvoor men dezelfde hoeveelheid van partikuliere inschrijvers zou hebben erlangd.

De katoenen goederen voor het Indisch leger. Hoe blijkt het, dat daarvoor niet meer wordt betaald, dan de prijzen bij den partikulieren fabrikant zouden bedragen? Het zou wel eens kunnen wezen, dat den Minister, bij nader onderzoek, het tegendeel bleek van hetgeen hij nu beweert. Fabrikanten hebben mij verzekerd, dat zij, bij de tegenwoordige prijzen, die katoenen 10 percent beterkoop zouden kunnen leveren. Ik wensch ook de aandacht van den Minister vooral op deze omstandigheid te richten, of niet gedurende eene reeks van jaren aan de Maatschappij van Weldadigheid voor die goederen, jaar in jaar uit, per stuk en per el, — de bestelling geschiedt. geloof ik, voor sommige artikelen bij de el, voor andere bij het stuk — dezelfde prijzen betaald zijn? Zoo dat waar is. dan blijkt, dat geen nauwkeurig onderzoek is gedaan naar de betrekking tusschen de prijzen der Maatschappij van Weldadigheid en de partikuliere prijzen. Bij de veranderlijkheid toch van de prijzen, bij voorbeeld der katoenen garens, is het niet denkbaar, dat dezelfde hoeveelheid steeds evenveel koste.

Ik neem aan, Mijnheer de Voorzitter, dat de Minister ons gezegd heeft hetgeen hij gelooft, maar ik wensch nauwkeuriger onderricht te worden. Ik heb gezegd, dat, mijns inziens, wanneer onder die betalingen een subsidie aan de Maatschappij van Weldadigheid is verborgen, de Vergadering althans in staat dient te worden gesteld om over de hoegrootheid van dat subsidie te kunnen oordeelen. Ik wensch dus — en ik richt dit verzoek aan den Minister — dat hij aan de Vergadering eene lijst van de hoeveelheden en van de prijzen zoowel der koffiezakken als der tot dienst van het Indisch leger geleverde katoenen goederen gelieve over te leggen, eene lijst welke de laatste tien jaren omvatte. Dan zal elk kunnen oordeelen. Dan zal wellicht, zoo niet geheel, ten deele althans, een vooroordeel worden wederlegd, dat nu natuurlijk tegen de handeling van het Gouvernement bij onderscheidene fabrikanten bestaat. Dan zal

Sluiten