Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men zien wat er gebeurt. Men zal dan of ontwaren dat men geene reden tot bezwaar heeft, of in de gelegenheid zijn tot eene poging om het bezwaar weg te nemen.

Het tweede punt, dat ik aangeroerd heb, Mijnheer de Voorzitter, betreft een tak van nijverheid, die tegenwoordig de eerste nijverheid van de wereld is, gelijk de handel daarin. 11a den graanhandel, de eerste, de voornaamste, de uitgebreidste aller takken van verkeer. Het is de katoenfabriek. Ik heb getuigenissen aangehaald, en de Minister heeft die niet wedersproken, dat wij in een belangrijk deel dier fabrikatie, de gekleurde weefgoederen, ten behoeve van Java, bij buitenlandsche mededingers verre ten achter zijn; wij, wier fabrieken met de Handelmaatschappij in betrekking staan, die Java sedert 25 jaren door en door moeten kennen; wij, wier fabrieken een beschermend recht genieten boven den vreemdeling. Ik heb gevraagd, hoe de Regeering dat verschijnsel meent te kunnen verklaren. De Minister heeft mij geantwoord: „de aftrek is aan den smaak ten aanzien van de kleuren en de patronen onderworpen; hij. die den smaak het best weet te treffen, zal op de Javasche markt aftrek voor zijne waren vinden."

Dit is juist, Mijnheer de Voorzitter, het punt, waar ik den Minister wenschte te ontmoeten. Die smaak, waarvan het debiet afhangt, wordt door de vreemde fabrikanten, en niet door de onzen, getroffen. Waaraan is dat toe te schrijven? Hoe komt het dat wij, met Java in nauwere betrekking dan de vreemdeling, dat wij, die zooveel gelegenheid meer hebben om met onze kolonie gemeenzaam te worden, onderdoen op een gebied van nijverheid en vertier, waar wij tegen ieder althans met gelijke krachten kunnen verschijnen, en waar de heerschappij afhangt van de kennis der zeden en behoeften der bevolking?

De fabrikant in Zwitserland, in Beieren, in Saksen reist waarschijnlijk niet naar Java om de markt te leeren kennen. Maar wat gebeurt ? De handel, waarmede die fabrikanten in betrekking zijn, kent den smaak en onderricht hen. Hoe te verklaren, dat onze handel, die onze fabrikanten moest voorlichten, in dit opzicht zijn plicht niet schijnt te doen?

Mijnheer de Voorzitter, ik zal bij wege van vragen drie oorzaken aanstippen. Het punt, dat wij behandelen, is, geloof ik, van groot gewicht. Het geldt streken van ons land, welke de belangstelling dezer Vergadering in hooge mate waardig zijn; streken, bezig te bewijzen, dat ons land niet ongeschikt is voor eene industrie, welke op het verkeer over zee meer invloed heeft dan eenige andere.

Drie oorzaken, die ik als vragen in bedenking geef.

Vooreerst, het beschermend recht. Wij hebben in den loop van de discussie over deze begrooting meermalen van bescherming, schoon juist niet altoos van bescherming van moterieele industrie

Sluiten