Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wet. Do uitdrukkingen, daarin gebezigd, waren te onbepaald, om tot toepassing te kunnen geraken. Evenzoo was het met lit. f gesteld. De heer van Goltstein verlangde daarom, uit lit. <1 weg te laten de woorden: „ofschoon behoorlijk ingelicht en gewaarschuwd", den aanhef van e te lezen: „die opzettelijk nalaten of grovelijk verzuimen uitvoering te geven", en lit. f te laten vervallen.

De heer Th. had vier amendementen op dit artikel ingediend: 1°. in lit. a het woord „klaarblijkelijk" te doen vervallen; 2". in lit. b den aanvang te lezen: „die gelijke mede-onderteekening verleenen aan Koninklijke besluiten of Koninklijke beschikkingen, waardoor wetten, of algemeene maatregelen enz.":

?>°. om lit. c aldus te veranderen: ..die uitvoering geven of doen geven aan Koninklijke besluiten of Koninklijke beschikkingen, niet van de vereischte mede-onderteekening van een der hoofden der ministerieele departementen voorzien": en 4". om in lit. d het woord „klaarblijkelijk", te doen vervallen.

Mijnheer de Voorzitter, ik wenschte wel in de gelegenheid te zijn het woord te nemen over de amendementen voorgesteld dooiden heer van Goltstein en over die, welke voorgesteld zijn door mij zeiven. Ik moet evenwel zeggen dat de snelle loop der beraadslaging mij heeft verrast. Xa het groote, scherpe verschil tusschen de Memorie van Toelichting en de Memorie van Beantwoording aan de ééne, en het verslag dei- Rapporteurs aan de andere zijde, dacht ik. dat de algemeene beraadslaging althans dezen ochtend zoude wegnemen, zoodat wij niet vóór morgen ochtend in de bijzondere behandeling der artikelen van het wets-ontwerp zouden treden. Ik zou wenschen, dat deze amendementen, die — zooals de Minister dezen ochtend nog met kracht heeft betoogd — alleszins in zijn stelsel ingrijpen, gedrukt en de leden alzoo in staat gesteld wierden om. beter dan uit eene voorlezing kan geschieden, op te maken welke de invloed van die amendementen op het voorstel van wet zal zijn.

Ik zou dus wenschen, Mijnheer de Voorzitter, dat in allen geval de beraadslaging over dit artikel niet vóór morgen ochtend wierd gesloten.

De beraadslaging werd verdaagd.

20 Februari. Bij de algemeene beraadslaging, toen het artikel reeds ter sprake was gekomen, had de minister het met de bepalingen van den code pénal vergeleken. Bij elke strafwet, zei hij, moesten twee punten vaststaan. Het eerste, dat men, zoo men een feit, dat „schuldig of onschuldig" kan gepleegd worden, wenscht strafbaar te stellen, verplicht is dan ook „de karakteristiek" aan te wijzen, die het feit misdadig kan maken. Het tweede bestond daarin, dat, gelijk de minister het uiteenzette „indien iemand uit den aard zijner betrekking moet handelen, er voor dien persoon een vermoeden moet worden geschapen, van te goeder trouw te hebben gehandeld." Uitdrukkelijk moest dus het geval worden aangewezen, waarin de verplichte handeling zou strafbaar zijn.

Sluiten