is toegevoegd aan je favorieten.

De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moet zijn. De wet worde zoo ingericht, hare waarschuwende kracht zij zoo groot, dat zij uiterst zeldzaam, zoo min mogelijk, in toepassing behoeve te worden gebracht. Ik wensch vooral niet dat het derde lid van art. 73 der Grondwet, bij de uitvoering door dit ontwerp er aan te ^geven, aldus worde gelezen : .hunne verantwoordelijkheid wordt beperkt en geregeld door de wet;" in een zin alsof de voornaamste taak van de wet niet in regeling, maar in beperking bestond.

Neen, Mijnheer de Voorzitter, het geldt hier de bescherming deiGrondwet en der andere wetten niet alleen tegen opzettelijke krenking, maar ook tegen lichtzinnigheid, overijling en traagheid van geest van den Minister, en de wet, geroepen de regels voor die bescherming te stellen, zou zelfs meer van den Minister dan van den gewonen burger kunnen vorderen.

Dit brengt mij tot het derde punt, dat door den Minister van Justitie niet zoo is opgevat, als het mij schijnt te moeten worden begrepen.

Hij zegt niet te willen, dat de vervolgde Minister in ongunstiger toestand worde geplaatst dan de gewone burger. Ik wensch dat ook niet. Ik wensch, dat ten aanzien van den Minister, die een ambtsmisdrijf heeft gepleegd, alle beginselen van het gewone recht gelden; maar hetgeen ik niet wensch is. dat aan den Minister, boven het voorrecht, dat gelegen is in de wijze van vervolging, een beginsel, door de Grondwet voorgeschreven, ook nog andere voorrechten en gunsten worden toegekend, boven hen, die hetzij gewone hetzij ambtsmisdrijven plegen.

De Minister meent, dat het ontwerp in art. 3 binnen de grenzen van de strafwet blijft. Hij zegt: laat er uit wat ik er in heb gebracht en de wet zal zoowel de vereischten van eene goede strafwet missen, als van den geest en de eigenschap onzer tegenwoordige strafwetgeving afwijken. Dat meen ik te moeten betwisten. Ik meen, dat het stelsel, dat de Minister voorstaat, dat hij in dit artikel, het hoofd-artikel der wet, heeft aangenomen, met de gemeene beginselen van ons strafrecht geenszins overeenkomt.

De Minister heeft eenige voorbeelden bijgebracht. Hij vergunne mij dat ik sommige met hem naga.

Art. 295 van den Code Pénal, dat bij homicide voegt: commis volontairement. De Minister roept die bijvoeging als eene analogie in. Ik behoef hem evenwel niet te herinneren waarom hier homicide alleen niet zou voldoen. Er is ook eene andere soort van homicide, die par maladresse, strafbaar; en het was dus noodig. dat het bijzonder kenmerk, commis volontairement, tot onderscheiding van anderen manslag in het artikel wierd opgenomen.

Art. 155 „aflevering van paspoorten." Les ofticiers publics qui délivreront un passe-port a une personne qu'ils ne connaitront pas