Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pleegt te noemen, niet eischte, maar enkel het oog op het materieele feit had.

Mijn geachte ambtgenoot (de heer Strens) die zooeven het woord voerde, heeft, meen ik, die uitdrukking reeds genoegzaam verklaard.

De eerste woorden, alleen aangehaald door den spreker uit Amsterdam, zijn door hem uit het verband genomen, maar in het verband gesteld, gelezen met de volgende, die ze uitleggen, zijn ze duidelijk, overeenkomstig met de beginselen van onze strafwetgeving, beginselen die iedereen belijdt en belijden moet.

Gesteld echter dat door die verklaring, door samenlezing van het volgende met het vorige nog niet alle twijfel opgeheven ware, moet men daarom iets in deze wet plaatsen, hetgeen zonder dat, zonder die fraze in de Memorie van Toelichting van 1852, niet noodig zou geweest zijn ? Is dat eene genoegzame reden ? Is het noodig den verkeerden indruk te weren, welke door die fraze zou kunnen ontstaan, dan zal door eene verklaring, die de Minister thans zeer zeker bereid zal wezen te geven, een gelijk gewicht gelegd worden tegen het gewicht, dat de Memorie van Toelichting van 1852 zou kunnen uitoefenen.

Mijnheer de Voorzitter, ik heb thans nog eene vraag te doen om den Minister gelegenheid te geven zich daaromtrent te verklaren. Zij betreft lit. b van het artikel dat ons bezig houdt. Daarin lees ik: „die gelijke onderteekening verleenen aan Koninklijke besluiten of Koninklijke beschikkingen" enz. Ik voor mij onderstel, dat het aan geen twijfel onderhevig kan zijn, maar ik wensch van den Minister te liooren dat hij het even weinig aan twijfel onderhevig acht, dat onder die besluiten en beschikkingen ook verdragen zijn begrepen. Die moeten er onder begrepen zijn, en mocht de Minister het aan twijfel onderhevig achten, dan wensch ik in de gelegenheid te zijn om een amendement daartegen voor te stellen. Ik denk echter dat het genoeg zal zijn aan den Minister de vraag voor te leggen om een antwoord te ontvangen zooals ik meen het te moeten geven.

De heer van Goltstein bracht, naar aanleiding van een amendement van den heer de Brauw, wijziging in zijn voorstel. Uit lit. e zou nu eenvoudig het woord „opzettelijk", uit lit. f „voortdurend" wegvallen.

Ik wensch inlichting over die verandering van het amendement. Het amendement, zooals het tot dusverre luidde en in het gedrukte stuk li". 8 voorkomt, scheen mij volkomen goed: „Die opzettelijk nalaten of grovelijk verzuimen uitvoering te geven" enz.

Nu had ik wel gewenscht en ik wensch het nog, Mijnheer de Voorzitter, dat de geachte spreker uit Utrecht (de heer van Goltstein), indien zijne meening niet veranderd is — hetgeen ik tot

Sluiten