Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik volkomen begrijpen, indien wij zes weken of twee maanden lang zitting hadden gehad of wanneer binnen kort toch het einde van onze werkzaamheden moest worden voorzien. Maar ik vraag. Mijnheer de ^ ooi zitter, of het denkbaar is. dat de leden van deze Vergadering na 14 dagen of drie weken zitting te hebben gehouden en zich met belangrijke onderwerpen te hebben bezig gehouden, nu reeds zouden verlangen naar huis te gaan en wel zoo spoedig, dat zij niet zouden kunnen besluiten eenige dagen langer voor gewichtige discussiën te bestemmen en aan andere leden der Vergadering de gelegenheid te geven niet dan wel voorbereid deze zaal binnen te treden.

Dé* kamer besloot ten slotte, des Zaterdags te vergaderen.

Maait. ^ erzoekschritt. Conclusie van liet verslag der commissie over het adres van den heer Ruijssenaers. Het adres was overeenkomstig het besluit der kamer aan den minister van binnenlandsche zaken gezonden met verzoek om inlichting. Nu die inlichtingen ontvangen waren, stelde de commissie voor, den minister van binnenlandsche zaken dank te zeggen voor de berichten en deze voor kennisgeving aan te nemen. (Vergelijk Dl. III, 1853-1854, blz. 478, vlgg.)

Ik ben bijna genegen met eene vraag om verschooning te beginnen. Zoo al wat den snellen loop van de werkzaamheden der Kamer ophoudt of vertraagt haar onaangenaam is. belijde ik schuld.

\ erzoekschriften worden bij ons in den regel afgedaan op het eind eenei zitting, waarin eene beraadslaging gehouden is over een andei onderwerp, dat de \ ergadering kan hebben vermoeid. Bij de conelusiën, die men ons voorstelt, kan, meen ik, in den regel eene groote huivering — ik zou haast zeggen angstvalligheid — om inlichtingen van de Ministers te vragen, worden opgemerkt. Eene angstvalligheid, Mijnheer de Voorzitter, waarmede men. zoo mij voorkomt, noch dienst doet aan de zaak, aan het algemeen belang, waarvoor wij hier opkomen, noch aan den betrokken Minister zeiven, wien het aangenaam moet zijn, zoo eenige twijfel gerezen is over zijne handelwijze, in de gelegenheid te worden gesteld, zijn inzicht of zijne daad volkomen op te helderen en te rechtvaardigen.

Ik heb indertijd de vrijheid genomen voor te stellen, tegen de conclusie van de Commissie voor de Verzoekschriften, inlichtingen te verzoeken aan den Minister omtrent het adres van den heer Ruijssenaers. Die inlichtingen zijn ons geworden. Niet evenwel de inlichtingen, Mijnheer de Voorzitter, die ik verlangde en die ik verwachtte.

Ik zou te veel zeggen, wanneer ik beweerde dat de ontvangene

Sluiten