Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik verlang. Mijnheer de Voorzitter, aan den Minister het verzoek te mogen richten, dat hij bij deze gelegenheid goedvinde den strijd op te lossen, die mij ook op een ander punt schijnt te bestaan tusschen het besluit van 5 Januari 1854 en lit. n van art. 7 van de wet van 1852. Bij het eerste worden onder .. Regeeringsberichten niet alleen gerangschikt berichten van den Koning, maar ook van „de leden van het Koninklijk Huis". De wet kent alleen aan „Regeeringsberichten" voorrang toe en het besluit beschouwt ook berichten der leden van liet Koninklijk Huis als .Regeeringsberichten". Ik heb die vraag reeds voorleden jaar gedaan, en zoo de Minister de gelegenheid geschikt vindt om ook die vraag te beantwoorden, zal het mij aangenaam zijn.

Ik heb gesproken van de inlichtingen van den Minister. Ik heb niets gezegd van het verslag der Commissie. Deze is zeer getrouw gebleven aan de ontvangene stukken; zij heeft zich vergenoegd de klacht van den heer Ruijssenaers en de inlichtingen van den Minister achter elkander af te schrijven. Zij heeft ten slotte de moeite genomen eene conclusie voor te stellen, om den Minister voor zijne berichten dank te zeggen. Voor liet overige heb ik in liet verslag van de Commissie noch licht, noch eenig blijk van onderzoek, noch oordeel gevonden, die mij aanleiding tot eenige opmerking zouden geven, behalve dat ik het vooralsnog, en totdat de Minister mijne bezwaren door een nader antwoord zal hebben weggenomen, waag te verschillen van de tevredenheid der Commissie over de inlichtingen, ons door den Minister aangeboden.

Alleen het algemeen belang, beaamde de minister van binnenlandsche zaken, moest tot leidraad strekken bij het verleenen of weigeren van concessiën. Dit was nu ook zoo gebeurd. De heer Ruijssenaers wist geen zekerheid te geven, dat hij de concessie zou ten uitvoer leggen. Na al hetgeen tusschen de heeren Ruijssenaers en Ricardo was voorgevallen, zou eene nieuwe concessie wellicht een wapen hebben gegeven in de hand van ééne partij, zonder dat de onderneming werd tot stand gebracht.

Hetgeen de Minister zeide, heeft mij in sommige opzichten meer voldaan dan de gedrukte inlichtingen. Het is mij aangenaam geweest te vernemen, dat op sommige niet van de minst gewichtige punten de Minister van mijn gevoelen is. Maar ik ben niet van het gevoelen van den Minister in een hoofdpunt, dat ik dadelijk in den aanvang moet opnemen.

In het midden van zijne rede en zeer onverwacht beklaagt zich de Minister dat hier het geven van eene bevoegdheid tot misbruik ter sprake was gebracht. De Minister had dit niet gewacht, niet gewacht in deze Vergadering en vooral niet van een vorig Minister van Binnenlandsche Zaken. Deze Vergadering is, meen ik. juist

Sluiten