Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en zoo de oplossing mij niet voldoende mocht voorkomen, zal ik de vrijheid nemen amendementen voor te stellen.

De minister kon zich met de tweede opmerking niet vereenigen. Vereenigingen, meende hij, die geen zedelijke lichamen waren, konden zich tegenover derden niet als vereeniging toonen. Zij konden dus als zoodanig niet worden gestoord. Zij waren als vereeniging tegenover derden niet bekend. Men kon ze slechts vergelijken niet handelingen voor gemeene rekening uit het wetboek van koophandel ; ook die associatie was eigenlijk publiek niet bekend.

W at het eerste punt betreft, bestaat nu geen verschil meer tusschen den Minister en mij, daar de Minister nu zal goedvinden, dat er gelezen worde gelijk ik anders zou hebben voorgesteld: .Met de openbare orde wordt strijdig geacht elke vereeniging" enz.

Ten aanzien van het tweede punt ben ik zoo gelukkig niet. Uit de verklaring van den Minister blijkt dat ik zijne bedoeling wèl begrepen had. Hij bedoelt hier uitsluitend vereenigingen, die zedelijke lichamen zijn. Ik heb gevraagd: moet hier. wanneer voorzien wordt tegen do krenking van rechten van bijzondere personen, ook niet voorzien worden tegen de krenking van rechten van andere vereenigingen? Eene vereeniging, die tot doel heeft om stoornis te brengen in de uitoefening van andere vereenigingen, is die vereeniging eene geoorloofde vereeniging? Is het genoeg, geene stoornis te brengen in de uitoefening der rechten van bijzondere personen of van zedelijke lichamen? De Minister zegt: „Die andere vereenigingen zijn niet bekend. ' VY il hij ze als personae incertae behandelen? Maar. Mijnheer de Voorzitter, zij zijn wel degelijk bekend. De Minister heeft ons gezegd, en mij dunkt zeer terecht: „Wanneer art. 10 van de Grondwet gewaagt van het recht van vereeniging, dan worden daaronder alle vereenigingen bedoeld. De bepalingen ten aanzien van het recht van vereeniging zijn verspreid in onderscheidene wetten." Onder die wetten heeft de Minister zelf in de eerste plaats genoemd het Wetboek van Koophandel. De vereenigingen waarmede het Wetboek van Koophandel te doen heeft, zijn niet met bijzondere personen in dien zin gelijk te stellen als zedelijke lichamen; mag men dus vereenigingen oprichten met het doel om die vennootschappen in de uitoefening van hare rechten te storen ?

De Minister zegt: „voor de overige vereenigingen, die niet zedelijke lichamen zijn, wordt gehandeld door een verantwoordelijk persoon: dat individu wordt door de stoornis getroffen, niet de onbekende vereeniging. die zich niet dan door den handelenden persoon vertoont. Dit nu. Mijnheer de Voorzitter, is immers vooral hij zedelijke lichamen het geval. Zedelijke lichamen handelen steeds dooi- hem, dien de Romeinen Syndicus noemden, en zij kunnen niet anders handelen. Of nu die persoon verantwoordelijk zij dan

Sluiten