Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schillende dingen zijn. Ten opzichte van het ander punt. kan ik in de regeling van het bestaan van zedelijke lichamen, dat geheel binnen de grenzen van het privaatrecht blijft, geene staatsrechtelijke betrekking zien. Een zedelijk lichaam is niets anders dan eene vereeniging, die als zoodanig burgerlijke rechten en plichten heeft. De regeling, die hier in de artt. 5 tot 14 wordt beproefd, betreft uitsluitend die burgerlijke rechten en plichten. Burgerlijke rechten en plichten pleegt men te onderscheiden van en te stellen tegenover het staatsrecht. Ik zie in het zedelijk lichaam niets dat men staatsrechtelijk zou kunnen noemen, dan wanneer men staatsrecht neemt in een zoo wijden omvang, gelijk het soms genomen is. dat: daarin ook het burgerlijk recht zij bevat. Maar zoolang men staatsrecht van burgerlijk recht onderscheidt, zoolang zal men moeten zeggen: hier is eene burgerlijke en geene staatsrechtelijke regeling. Dit is zoo waar. Mijnheer de Voorzitter, dat men, teruggaande tot het eerste begin van zedelijke lichamen, dat onderscheid reeds bevestigd vindt. Welke zijn de eerste zedelijke lichamen, althans voor zooverre wij de geschiedenis kennen, geweest? Het waren de Staat zelf. de gemeenten zelve. Om nu den Staat en de gemeenten als zedelijke lichamen te beschouwen, wat deed men, wat moest men doen ? Men moest van den Staat en van de gemeenten afzonderen al wat betrekking had tot hun publiek karakter, en dat wat als burgerlijke rechtsbevoegdheid overbleef kenmerkte het zedelijke lichaam. Dat is, gelijk men het oudtijds uitdrukte, de Staat en de gemeente loco privati, ontdaan van hunne publiekrechtelijke eigenschap.

De geachte spreker uit de hoofdstad heeft ons eene andere reden voorgehouden, die ons wellicht zou kunnen bewegen, al erkennen wij hetgeen ik daar zooeven meen te hebben betoogd. Ik meen te hebben betoogd, dat het onderwerp der regeling, die hier wordt beproefd, uitsluitend is van civielen aard. en in het Burgerlijk Wetboek behoort; dat het zedelijk lichaam met het staatsrecht niets gemeen heeft dan in zooverre staatsrecht en burgerlijk recht een gemeen gebied hebben. De geachte spreker meent, dat er geene zwarigheid kan zijn. om eene nuttige regeling juris privati in eene politieke wet op te nemen. .Ik heb vroeger — zegt de geachte spreker — iets dergelijks vergeefs voorgesteld; het zou heilzaam zijn geweest, indien mijn voorstel niet ware afgewezen. Ik heb daaruit geleerd dat men de gelegenheid moet waarnemen." Maai ik vraag: is hier gelegenheid? Ik versta onder gelegenheid eene geschikte gelegenheid. Ik erken, men kan in eene politieke wet een onderwerp regelen van burgerlijk recht; men kan in het Burgerlijk Wetboek eene politiewetgeving inlasschen. De zaak kan nuttig schijnen; de behoefte kan juist op dat oogenblik helder voor den geest zijn en sterk worden gevoeld; men zegt dus: laten wij

Sluiten