Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Memorie van Toelichting, uit de Memorie van Beantwoording gelooft dat uit zedelijke lichamen oneindig veel nadeel voortspruit. De Minister kan geene woorden genoeg vinden om dat naar waarde uit te drukken, en sedert de wereld bestaat, is nog niet zooveel kwaads gezegd van de zedelijke lichamen als bij gelegenheid dezer voordracht. Maar dat nadeel is niet het eenige, noch zelfs de hoofdzaak. De Minister houdt de zedelijke lichamen voor juridisch onbestaanbaar. Dit is de strekking van zijn geheel betoog. Hij zeide ons nog gisteren: .bij de zedelijke lichamen heeft men geene verantwoording, en onze maatschappij, alle onze inrichtingen zijn op verantwoordelijkheid gegrond". Om de vrees, die daaruit ontstaat, eenigszins te doen bedaren, kan men antwoorden: men houdt zich bij zedelijke lichamen aan de goederen; ieder moet weten met wie hij handelt, wat hij, waar zedelijke lichamen in den Staat bestaan, in betrekking daarmede doet.

De Minister klaagt, dat zedelijke lichamen niet gegijzeld kunnen worden; zij kunnen niet zweren. Doch de actor of syndicus kan wel zweren; hem wordt de eed ook opgelegd, maar de zedelijke lichamen kunnen niet gegijzeld worden. Welnu, welk middel stelt ons de Minister voor? Is dat middel geschikt om in de juridieke onbestaanbaarheid, die hij aan de zedelijke lichamen verwijt, te voorzien? Wat stelt de Minister voor? Niets anders dan de verplichting om erkenning te vragen. Maar die erkende, zedelijke lichamen zullen immers even juridisch onbestaanbaar zijn, zullen tot dezelfde nadeelen leiden als degene, die tot dusverre niet behoefden erkend te worden. De erkenning zal geen enkel dier bezwaren of nadeelen wegnemen.

Wil de Minister, dat hij, aan wien de erkenning zal moeten worden gevraagd, niet erkenne? Ik geloof dat niet. De Minister bedoelt niet dat men de erkenning zal vragen om die niet te verkrijgen. En nu vraag ik of om eenige, of om ééne enkele van die redenen, waarmede de Minister het bestaan van zedelijke lichamen bestrijdt, de erkenning zal kunnen worden geweigerd? Het is immers niet denkbaar. Neem geestelijke corporatiën; acht eene geestelijke corporatie verkeerd, geen Minister kan weigeren ze te erkennen zoolang zij niet in de klasse der verboden vereenigingen valt. Derhalve zullen niet alleen bij de erkende lichamen al die nadeelen overblijven, die de Minister ons heeft voorgehouden, maaide erkenning van die. welke bij eene groote vermenigvuldiging inderdaad schadelijke uitwerkselen kunnen hebben, die erkenning zal niet kunnen worden geweigerd. Tegen die schadelijke uitwerkselen zal men toch het vertrouwen, dat dergelijke middelen, als de Minister ons voorstelt, niet behoeft, moeten inroepen, het vertrouwen op eene voortgaande beschaving, op eene toenemende verlichting der maatschappij en de daaruit voortvloeiende reactie.

Sluiten