Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er viel, repliceerde de minister van justitie, niet aan te denken, de milde bepaling van artikel 1: de oprichting van alle vereenigingen is vrij, te handhaven, zonder de waarborgen, die de artikelen 5 tot en niet 14 schiepen. Dan zouden alle vereenigingen rechtspersonen zijn, en dit moest worden voorkomen. Nu mocht men zich erop beroepen, dat artikel 10 der grondwet alleen op staatsrechtelijke regeling doelde, ook dat gedeelte der regeling, meende hij, dat over de personen handelde, behoorde tot het staatsrechtelijk gedeelte. Het burgerlijk wetboek, waarin werd aangegeven, hoe zedelijke lichamen geschapen werden, had zich eigenlijk op het staatsrechtelijk terrein begeven. Hoe wordt een zedelijk lichaam geboren? Dit was eene vraag van staatsrecht, die bij het ontwerp werd beantwoord. Zoo had men het ook in Noord-Amerika en Engeland begrepen. De invoering van elk zedelijk lichaam had bezwaren, voortvloeiend uit zijn aard van fictief persoon. Daartegenover moesten zooveel mogelijk waarborgen worden gevonden. Het ontwerp trachtte dit te verkrijgen door de statuten aan hoogere goedkeuring te onderwerpen.

Ook de heer Godefroi ontkende den civielrechtelijken aard deivoorschriften van de artikelen 5 tot en met 14. De erkenning door het publiek gezag, die de vereeniging behoefde om als rechtspersoon te kunnen optreden, zei hij, was eene staatsrechtelijke handeling, en behoorde als zoodanig thuis in de wet tot uitvoering van artikel 10 der grondwet.

De heer van Rappard haalde ter verdediging van het ontwerp eene historische herinnering op, iets wat, naar hij zeide, „niet bekend was en ook moeilijk bekend kon zijn": in de eerste kamer waren bij de grondwetsherziening meerderen tegen de onbeperkte bepaling van artikel 10 der grondwet geweest wegens het gevaar, dat men van te groote uitbreiding van het aantal zedelijke lichamen duchtte.

Ik ben wel verplicht eenige punten op te nemen uit de redevoeringen, die tegen de mijne gehouden zijn. Ik zal mij bepalen tot hoofdpunten, en niet meer zeggen dan juist noodig is, om daarop het rechte licht te doen vallen.

Ik zal niet lang stilstaan bij hetgeen ons door den voorlaatsten spreker gezegd is. De heer van Rappard heeft ons ingeleid in eene van de zalen der grondwetsherziening van 1848, en hetgeen hij ons vandaar heeft geopenbaard, was ook van elders bekend. Het is zeer bekend, dat men in 1848 niet alleen achter geslotene deuren, maar ook in openbare vergaderingen, groote angstvalligheid voor het recht van associatie koesterde. Wist men nu die vrees nergens elders op eene vertoonbare wijze te doen nederkomen, dan wierp men ze op de zedelijke lichamen.

De geachte spreker heeft, — ik heb daarnaar zooveel ik van hier kon met aandacht geluisterd, — de maatschappen aangeroerd en te dien aanzien het ontwerp van wet verdedigd. Ik wenschte dat ik uit zijne rede de overtuiging had kunnen putten, dat de tweede alinea van art. 11. zoo zij wierd aangenomen, de geheele burgerlijke leer van de maatschappen niet in den war zou brengen. Welke is

Sluiten