Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erkenning op zichzelve niets beteekent. maar dat alles afhangt van de voorwaarden en beginselen der erkenning, van het stelsel. dat bij de erkenning of niet-erkenning ten grondslag ligt. Dat is. dunkt mij. het hoofdpunt. Het erkennen of niet-erkennen. wanneer het eene willekeurige handeling is. beteekent niet alleen niets, maar komt neder op een onthouden van de waarborgen, die wij behooren te verlangen. De spreker heeft eene plaats uit een leerrijk boekje van een voormaligen Minister van Financiën in België, dat onder den naam van van Damme is uitgegeven, aangehaald. Ik behoef hem dus niet aandachtig te maken op al de bladzijden van dat boekje, die bewijzen dat men ondanks de Fransche wet, ondanks de weigering om zedelijke lichamen te erkennen, eene overgroote menigte instellingen in België heeft zien oprijzen, die de schrijver daar niet wenschte te zien gevestigd. Zoo weinig vermag zelfs de Fransche wet met al hare gestrengheid, eene wet, die voor alle instellingen, welke wij onder den naam van zedelijke lichamen en stichtingen begrijpen, geene andere scheppende macht dan die der overheid kent. Onder de heerschappij dier wet. welke geen initiatief der partikulieren toelaat, heeft men instellingen zien ontstaan, die gewis al de nadeelen hebben van zedelijke lichamen, en al de kwade gevolgen, aan wetsontduiking verbonden, erbij.

Ik betwist geenszins — en in dit opzicht heeft de geachte spreker uit de hoofdstad mij beter willen begrijpen dan de Minister van Justitie — het beginsel van erkenning, maar ik bestrijd de wijze waarop dat recht hier gevestigd wordt.

Volgens den laatsten spreker (den heer Elout) is „uitdrukkelijke' erkenning niet eens noodig; beroemde juristen, die voor het beginsel van erkenning ijveren, zijn van hetzelfde gevoelen. De spreker kon Savignv hebben aangehaald, volgens wien erkenning evengoed stilzwijgend als uitdrukkelijk geschieden kan. Alles komt aan op de voorwaarden van erkenning door de wetgevende macht te stellen. Het is denkbaar, dat de wet de voorwaarden regele. na welker vervulling het zedelijk lichaam zou kunnen worden opgericht, zonder dat eene uitdrukkelijke erkenning tusschen beide kwame. Of dat de meest wenschelijke vorm zij. laat ik nu daar. Ik voor mij zie geen bezwaar om, bij omschrijving dier voorwaarden in de wet. door een Koninklijk besluit van erkenning te doen constateeren. dat die voorwaarden waren vervuld.

Ik kom tot den Minister van Justitie. Ik moet tot mijn leedwezen verklaren, dat de Minister bij den aanhef van zijne rede een vermoeden heeft bevestigd, dat bij de eerste lezing van dit ontwerp opkwam en dat ik sedert meer of min meende te kunnen laten varen. De eerste lezing deed mij denken, dat de Minister een systeem van preventie, waarvoor hij de voordeur sedert 1849 gesloten achtte, thans door eene achterdeur poogde in te leiden.

Sluiten